NLAR

Eenheid 10: De sharīʿa en de voorbeschikking

Overzicht

Eenheid 10 · 5 onderdelen

De sharīʿa en de voorbeschikking

Geloof in sharīʿa en voorbeschikking: de groepen, oorzaken, de noodzaak van de sharīʿa, vergeving vragen en geduld, aanbidding en hulp zoeken, en de metgezellen volgen

Je moet geloven in Allahs schepping én Zijn gebod. Wie dwaalt in de voorbeschikking, valt in drie groepen: "Madjoes-achtig" (voorbeschikking ontkennen, gebod aanvaarden: de Muʿtazila), "polytheïstisch" (voorbeschikking aanvaarden, gebod ontkennen) en "Iblīs-achtig" (beide aanvaarden, maar Allahs wijsheid aanvallen). Ahl as-sunna geloven in beide, en erkennen oorzaken zonder ze zelfstandig te maken: niets werkt alleen, behalve Allah. Geloof in de voorbeschikking is het "snoer" van het tawḥīd. De mens heeft de sharīʿa nodig, want hij wil en handelt altijd, en de sharīʿa scheidt nuttig van schadelijk; een deel ervan kent hij door aanleg en verstand, de details en de afloop alleen via de profeten. Wie alleen naar de voorbeschikking kijkt, gaat in tegen openbaring, zintuig en verstand. Fanāʾ (opgaan) is er in drie soorten: het wettige, prijzenswaardige; een gebrekkige toestand bij sommige zoekers; en dat van de aanhangers van eenwording. Bij het gebod hoort inspanning en daarna vergeving vr

Bron: at-Tadmuriyya van Ibn Taymiyya · p. 68–80

Je voortgang in dit hoofdstuk0%

Sharīʿa en voorbeschikking in één kaart

Van bladzijde 68 tot 80.

Sharīʿa en voorbeschikkingAllahs schepping en gebod
  • Dwalende groepenp. 68–69
    • Madjoes-achtig
    • polytheïstisch
    • Iblīs-achtig
  • Oorzakenp. 69–70
    • Hij werkt erdoor, niet er alleen bij
    • niet zelfstandig
    • voorbeschikking: het snoer van tawḥīd
  • Nood aan de sharīʿap. 70–72
    • de mens wil en handelt
    • goed en kwaad
  • Alleen de voorbeschikking zienp. 72–75
    • tegen zintuig en verstand
    • drie soorten fanāʾ
  • Vergeving en geduldp. 75–77
    • gebod: inspanning en vergeving
    • voorbeschikking: hulp en geduld
    • Ādam en Mūsā
  • Aanbidding en hulpp. 77–80
    • oprecht en juist
    • vier groepen
    • de metgezellen volgen

Het hoofdstuk in één oogopslag

  1. De dwalenden in de voorbeschikking: Madjoes-achtigen ontkennen haar, polytheïsten ontkennen het gebod, en Iblīs-achtigen vallen Allahs wijsheid aan.
  2. Allah werkt door middel van oorzaken: wie zegt "Hij werkt er alleen bij, niet erdoor" gaat tegen de Koran in, en wie ze zelfstandig scheppend maakt, pleegt shirk.
  3. Geloof in de voorbeschikking is het snoer van tawḥīd: wie Allah één verklaart en de voorbeschikking loochent, breekt zijn tawḥīd af.
  4. De mens heeft de sharīʿa nodig: hij wil en handelt altijd en moet weten wat hem baat en schaadt, en dat onderscheid geeft de sharīʿa.
  5. Wie alleen de voorbeschikking ziet en geen verschil maakt tussen gehoorzaamheid en zonde, gaat tegen openbaring, zintuig en verstand in.
  6. Bij het gebod: je inspannen om te gehoorzamen en daarna vergeving vragen; bij de voorbeschikking: hulp zoeken bij Allah en daarna geduld.
  7. De voorbeschikking voer je aan bij rampen, niet bij zonden: Ādam won het van Mūsā, omdat Mūsā hem verweet om de ramp, niet om een zonde waarvan hij berouw had.
  8. Aanbidding wordt alleen aanvaard met twee voorwaarden: oprecht voor Allah, en volgens de sunna.

Onderdelen van dit hoofdstuk

  1. Onderdeel 24 · p. 68 فصل: مذاهب الناس في القدر، وإثبات الأسباب
  2. Onderdeel 25 · p. 70 ضرورة الإنسان إلى الشرع، وحسن الأفعال وقبحها
  3. Onderdeel 26 · p. 72 مخالفة من ينظر إلى القدر ويعرض عن الشرع
  4. Onderdeel 27 · p. 75 الواجب في الشرع والقدر عملا: الاستغفار والصبر
  5. Onderdeel 28 · p. 77 العبادة والاستعانة، وأقسام الناس فيهما، والوصية باتباع الصحابة

Tekst: editie as-Saʿawī; paginanummers: de scan. Bronnen die de auteur niet zelf noemt, en wat als "toelichting" gemarkeerd is, zijn onze toevoeging.

Schema’s

Dwalende groepen en ahl as-sunna

p. 68–69

VergelijkingVoorbeschikkingGebod en verbod
Madjoes-achtig (Muʿtazila)ontkendaanvaard
Polytheïstischaanvaardontkend
Iblīs-achtigaanvaardaanvaard, maar tegenstrijdig genoemd; wijsheid aangevallen
Ahl as-sunnaaanvaardaanvaard

Onderdeel 24p. 68

Soorten fanāʾ

p. 73–74

Fanāʾ (opgaan)drie betekenissen
  • Wettig, religieusvan wat niet bevolen is opgaan in wat bevolen is; dit brachten de profeten
  • Niets anders meer zieneen gebrekkige toestand bij sommige zoekers; de Profeet ﷺ en de eerste moslims kenden die niet
  • Niets anders bestaatleer van de ketters en eenwording: het schepsel is de Schepper

Onderdeel 26p. 73

Wat je doet bij gebod en bij voorbeschikking

p. 76–77: bij elk twee grondslagen.

VergelijkingEerstDaarna
Bij het gebodje inspannen om te gehoorzamen, in kennis en daadvergeving en berouw voor tekortkomingen
Bij de voorbeschikkinghulp zoeken bij Allah, vertrouwen, smekengeduld met wat bepaald is

Onderdeel 27p. 76

Vier groepen in aanbidding en hulp zoeken

p. 78: "U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp"

  1. De godvrezende gelovigenvoor Hem en met Hem: ze aanbidden Hem en zoeken Zijn hulp
  2. Aanbidding zonder hulp zoekennauwgezet in gehoorzaamheid en sunna, maar machteloos en ongeduldig; zwak maar blijvend
  3. Hulp zoeken zonder rechtschapenheidkracht en wonderlijke ervaringen zonder sunna; geen goede afloop
  4. Geen van beidede slechtste groep

Onderdeel 28p. 78

Uitleg

  1. De dwalende groepen in de voorbeschikking

    Je moet geloven in Allahs schepping en gebod: Zijn beschikking en Zijn wet. Wie dwalend over de voorbeschikking praat, valt in drie groepen. De "Madjoes-achtigen" loochenen de voorbeschikking, al geloven ze in gebod en verbod; hun extremen ontkennen Allahs voorkennis en het opschrijven, hun gematigden Zijn alomvattende wil, schepping en macht: de Muʿtazila en wie met hen instemt. De "polytheïsten" aanvaarden beschikking en voorbeschikking maar ontkennen gebod en verbod: "de polytheïsten zullen zeggen: had Allah gewild, dan hadden wij geen shirk gepleegd"; wie de voorbeschikking aanvoert om gebod en verbod opzij te zetten, hoort bij hen, en dat komt veel voor bij soefi's die zich op de "werkelijkheid" beroepen. De "Iblīs-achtigen" aanvaarden beide, maar noemen dat een tegenstrijdigheid van de Heer en vallen Zijn wijsheid en rechtvaardigheid aan, zoals van hun voorman Iblīs verteld wordt. De mensen van de leiding geloven in beide: Allah schiep alles, wat Hij wil gebeurt en wat Hij niet wil niet, Hij omvat alles met kennis en heeft alles in een duidelijk Boek vastgelegd.

  2. Oorzaken erkennen

    Toch ontkennen zij de oorzaken niet die Allah schiep en waardoor Hij de gevolgen schept: "Wij zonden er water mee neer en brachten er allerlei vruchten mee voort", "Allah leidt ermee wie Zijn welbehagen volgt", "Hij laat er velen mee dwalen en leidt er velen mee". Allah zegt dus dat Hij door middel van oorzaken werkt. Wie zegt "Hij werkt er alleen bij, niet erdoor", gaat tegen de Koran in en ontkent de krachten en natuurlijke eigenschappen die Allah schiep, zoals wie het vermogen van de dienaar ontkent. Wie oorzaken zelf scheppend maakt, pleegt shirk en schrijft Allahs daad aan iets anders toe: elke oorzaak heeft een andere oorzaak nodig om haar gevolg te geven, en er is altijd iets wat haar werking kan tegenhouden, tenzij Allah dat wegneemt. Niets in het bestaan doet iets helemaal alleen, behalve Allah: "van alles hebben Wij paren geschapen, opdat jullie nadenken", dus weten dat de Schepper van de paren Eén is.

  3. "Uit één komt slechts één voort"

    Wie zegt dat uit Allah maar één ding voortkomt, "omdat uit één slechts één voortkomt", is onwetend: niets in het bestaan brengt in zijn eentje iets voort, behalve Allah die alle paren schiep. Vuur waarin Allah hitte legde, verbrandt alleen samen met iets wat kan branden; valt het op de salamander (samandal) of robijn, dan verbrandt het die niet, en een lichaam kan worden ingesmeerd zodat het niet verbrandt. De zon heeft voor haar stralen een lichaam nodig dat ze terugkaatst, en achter een scherm van wolken of een dak komen ze niet. Het punt: je moet in de voorbeschikking geloven, want dat hoort bij volledig tawḥīd. Ibn ʿAbbās zei: het is het snoer van het tawḥīd; wie Allah één verklaart en in de voorbeschikking gelooft, heeft een volledig tawḥīd; wie Allah één verklaart en de voorbeschikking loochent, breekt met zijn loochening zijn tawḥīd af. En je moet in de sharīʿa geloven: gebod en verbod, belofte en dreiging.

  4. Waarom de mens de sharīʿa nodig heeft

    De mens heeft in dit leven een wet nodig: hij moet bewegen om nut te halen en om schade af te weren, en de sharīʿa onderscheidt wat hem baat van wat hem schaadt; ze is Allahs rechtvaardigheid in Zijn schepping en Zijn licht onder Zijn dienaren. Het gaat niet alleen om rechtvaardigheid in de omgang tussen mensen: ook een mens alleen moet doen en laten, want hij is "ḥārith hammām", zoals de Profeet ﷺ zei: "de meest ware namen zijn Ḥārith (wie werkt) en Hammām (wie zich iets voorneemt)"; hij beweegt door zijn wil. Dus moet hij weten of wat hij wil hem baat of schaadt. Een deel daarvan weet hij door zijn aanleg, zoals dat eten en drinken hem goed doet; een deel door te redeneren met zijn verstand; en een deel alleen doordat de profeten het hem leren, uitleggen en hem leiden.

  5. Goed en kwaad van daden

    Men verschilde: kent het verstand goed en kwaad van daden? Iedereen is het eens dat het verstand weet of een daad bij de handelende past of niet, dus of ze leidt tot wat hij liefheeft en geniet, of tot wat hij haat en hem schaadt. Dat weet je soms door het verstand, soms door de openbaring, soms door beide; maar de details, en de afloop van daden in geluk of ellende in het Hiernamaals, ken je alleen door de openbaring, zoals de details van Allahs namen en eigenschappen alleen via de openbaring bekend zijn, ook al kent het verstand de hoofdlijnen: "je wist niet wat het Boek was of het geloof, maar Wij maakten het tot een licht". Een groep dacht dat goed en kwaad nog iets anders betekenen dat het verstand kent; een tegengestelde groep dacht dat goed en kwaad in de openbaring hier helemaal buiten vallen. Beide vergisten zich.

    Meer uitleg

    Omdat beide groepen ontkenden dat Allah liefheeft, welbehagen heeft, toornig en blij is, verschilden ze, terwijl ze het eens waren dat Allah niets slechts doet: is dat op zich onmogelijk, zodat je je niet kunt voorstellen dat Hij het kan? Of is Hij er vrij van vanwege het "verstandelijk slechte"? De eersten maakten in Zijn schepping en gebod geen verschil tussen leiding en dwaling, goeden en zondaars, en prezen Hem dus niet voor de rechtvaardigheid die Hij doet of het onrecht dat Hij laat. De anderen pleitten Hem vrij op grond van een "verstandelijk slecht" dat niet bestaat; zo maakten ze Hem gelijk aan Zijn schepselen in wat goed en slecht is, en vergeleken ze Hem met Zijn dienaren in wat geboden en verboden wordt.

  6. Wie alleen de voorbeschikking ziet

    Wie alleen naar de voorbeschikking kijkt, opgaan in het Heer-zijn verheerlijkt en blijft staan bij de "kosmische werkelijkheid", maakt geen verschil meer tussen kennis en onwetendheid, waarheid en leugen, vroomheid en zonde, gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, vrienden en vijanden van Allah. Zij gaan in tegen Allahs Boeken en religie, maar ook tegen zintuig en ervaring, en tegen verstand en redenering. Want ieder van hen geniet van het een en heeft pijn van het ander; hij onderscheidt wat eetbaar is en wat niet, wat hitte en kou hem doen. Dat onderscheid tussen nuttig en schadelijk is de religieuze werkelijkheid. Wie denkt dat een mens een punt bereikt waarop alles altijd gelijk voor hem is, verzint iets: zelfs een slapende verliest zijn waarneming niet en droomt van wat hem blij of verdrietig maakt. Toestanden als "overweldiging", fanāʾ en mystieke dronkenschap betekenen alleen dat je sommige dingen niet waarneemt; en in niet-onderscheiden zit geen lof.

    Meer uitleg

    Hoor je een shaykh zeggen "ik wil niets willen", "de kenner heeft geen eigenbelang" of "hij wordt als een dode in de handen van de wasser", dan is alleen te prijzen dat hij geen wil heeft voor wat niet bevolen is, en niet streeft naar wat niet bevolen is. Bedoelt hij dat zijn wil helemaal verdwijnt en hij genot en pijn niet meer voelt, dan gaat hij in tegen zintuig en verstand; en wie dat prijst, gaat in tegen religie en verstand.

  7. De soorten fanāʾ

    Fanāʾ heeft drie betekenissen. 1) Het religieuze, wettige fanāʾ dat de profeten brachten: opgaan van wat Allah niet beval in wat Hij wel beval; van aanbidding van anderen in aanbidding van Hem, van gehoorzaamheid aan anderen in gehoorzaamheid aan Hem en Zijn Boodschapper, van vertrouwen op anderen in vertrouwen op Hem, van liefde voor anderen in liefde voor Hem en Zijn Boodschapper, van vrees voor anderen in vrees voor Hem, zodat Allah en Zijn Boodschapper hem dierbaarder zijn dan wat ook. 2) Wat sommige soefi's noemen: opgaan zodat je niets anders dan Allah meer ziet, zodat je door de Aanbedene je aanbidding vergeet en door de Herdachte je gedenken. Dat is een gebrekkige toestand die sommige zoekers overkomt; het hoort niet bij de weg naar Allah, en de Profeet ﷺ en de eerste moslims kenden het niet. Wie het als eindpunt ziet, dwaalt duidelijk. 3) Opgaan zodat niets anders bestaat: denken dat het bestaan van het schepsel het bestaan van de Schepper is. Dat is de leer van de ketters en de aanhangers van eenwording, de meest dwalende mensen.

  8. Ze kunnen hun leer niet volhouden

    Niemand van hen kan zijn leer consequent volhouden. Ziet hij alleen de voorbeschikking zonder verschil tussen geboden en verboden, en wordt hij daarnaar behandeld (geslagen en uitgehongerd tot hij veel pijn lijdt), en verwijt hij dan wie hem dat aandeed, dan breekt hij zijn eigen leer af. Je zegt hem: dit was bepaald en voorbeschikt; Allahs schepping en voorbeschikking gelden voor jullie allebei. Is de voorbeschikking jouw argument, dan ook het zijne; zo niet, dan is ze voor geen van beiden een argument. Zo bewijst het verstand dat de leer van wie alleen de voorbeschikking ziet en gebod en verbod negeert, onjuist is.

  9. Vergeving vragen

    De gelovige moet het gebodene doen, het verbodene laten en geduldig zijn met wat bepaald is: "wie godvrezend en geduldig is, Allah laat het loon van de weldoeners niet verloren gaan"; "wees geduldig, Allahs belofte is waar, en vraag vergeving voor je zonde": geduld samen met vergeving vragen. Alle dienaren, de eerste en de laatste, hebben vergeving nodig. De Profeet ﷺ zei: "Keer berouwvol tot jullie Heer; bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, ik vraag Allah meer dan zeventig keer per dag om vergeving"; "er komt een sluier over mijn hart, en ik vraag Allah honderd keer per dag om vergeving"; en hij bad: "Allah, vergeef mij mijn fouten, mijn onwetendheid, mijn overdaad...". Ādam vroeg vergeving en had berouw, en zijn Heer verkoos hem; Iblīs hield vol en klampte zich vast aan de voorbeschikking, en werd vervloekt. Wie zondigt en berouw toont, lijkt op zijn vader (Ādam), en wie op zijn vader lijkt, doet niets verkeerd. Daarom zet Allah tawḥīd en vergeving vragen samen: "weet dat er geen god is dan Allah en vraag vergeving voor je zonde"; "aanbid niemand dan Allah... en vraag jullie Heer om vergeving". In een hadith: "De duivel zegt: ik heb de mensen met zonden vernietigd, en zij vernietigden mij met lā ilāha illā llāh en vergeving vragen."

    Meer uitleg

    Over Dhū n-Nūn (Yūnus) wordt verteld dat hij in de duisternis riep: "er is geen god dan U, glorie aan U, ik was een van de onrechtplegers"; en de Profeet ﷺ zei: "met het smeekgebed van mijn broer Dhū n-Nūn bidt geen bedroefde zonder dat Allah zijn zorg wegneemt". Samengevat: bij het gebod moet hij zich inspannen om in kennis en daad te gehoorzamen, en daarna vergeving vragen voor zijn tekortkomingen. Daarom is het voorgeschreven alle daden met vergeving vragen af te sluiten: na het gebed vroeg de Profeet ﷺ driemaal vergeving; "zij die in de vroege ochtend om vergeving vragen" stonden ’s nachts op en sloten af met vergeving vragen; en de laatste soera die neerkwam zegt: "prijs de glorie van je Heer en vraag Hem om vergeving".

  10. Geduld met de voorbeschikking; Ādam en Mūsā

    Bij de voorbeschikking moet hij Allah om hulp vragen om te doen wat bevolen is, op Hem vertrouwen, Hem aanroepen en bij Hem bescherming zoeken; zo blijft hij afhankelijk van Hem in het zoeken van goed en het laten van kwaad. Hij moet geduldig zijn met wat bepaald is, en weten dat wat hem trof hem niet kon missen, en wat hem miste hem niet kon treffen. Hierbij hoort de discussie tussen Ādam en Mūsā. Mūsā zei: "Ādam, jij bent de vader van de mensen; Allah schiep je met Zijn hand, blies Zijn geest in je en liet Zijn engelen zich voor je neerwerpen; waarom heb je ons en jezelf uit het Paradijs gebracht?" Ādam zei: "Jij bent Mūsā, die Allah uitverkoos door met je te spreken; hoe lang vóór mijn schepping vond je opgeschreven: Ādam was zijn Heer ongehoorzaam en dwaalde?" Hij zei: "zoveel jaar". "Zo won Ādam het van Mūsā." Mūsā verweet hem niet de zonde, want Ādam had er berouw over getoond, en wie berouw heeft is als wie geen zonde heeft; hij verweet hem de ramp die hen daardoor trof. Bij rampen moet je naar de voorbeschikking kijken, en voor zonden vergeving vragen.

  11. Aanbidding en hulp zoeken

    Wie gebod en voorbeschikking allebei in acht neemt, aanbidt Allah, zoekt Zijn hulp en vertrouwt op Hem; hij hoort bij wie Allah begunstigde. Allah bracht beide grondslagen vaak samen: "U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp", "aanbid Hem en vertrouw op Hem", "op Hem vertrouw ik en tot Hem keer ik terug", "wie Allah vreest, Hij maakt voor hem een uitweg... en wie op Allah vertrouwt, Hij volstaat voor hem". Bij het offerdier zei de Profeet ﷺ: "Allah, van U en voor U": wat niet door Allah gebeurt, gebeurt niet; en wat niet voor Allah is, baat niet en blijft niet. Aanbidding heeft twee grondslagen nodig: oprechtheid tegenover Hem, en overeenstemming met wat Hij met Zijn boodschappers zond. ʿUmar bad: "Allah, maak al mijn werk goed, maak het oprecht voor Uw aangezicht, en geef niemand er een deel in." Al-Fuḍayl ibn ʿIyāḍ zei over "om jullie te beproeven wie de beste daden doet": de meest oprechte en de meest juiste. Is een daad oprecht maar niet juist, dan wordt ze niet aanvaard; juist maar niet oprecht, ook niet; ze moet oprecht én juist zijn. Oprecht is: voor Allah; juist is: volgens de sunna. Daarom verwijt Allah de polytheïsten "partners die voor hen een religie vastlegden waarvoor Allah geen toestemming gaf", en dat ze verboden wat Hij niet verbood.

  12. Vier groepen in aanbidding en hulp zoeken

    Mensen vallen in aanbidding en hulp zoeken in vier groepen. De godvrezende gelovigen zijn voor Hem en met Hem: ze aanbidden Hem en zoeken Zijn hulp. Een groep aanbidt Hem zonder Zijn hulp te zoeken en zonder geduld: ze zijn nauwgezet in gehoorzaamheid, vroomheid en sunna, maar machteloos en ongeduldig. Een groep zoekt hulp, vertrouwt en is geduldig, zonder rechtschapen te zijn in het gebod of de sunna te volgen: zo iemand krijgt soms macht, een bijzondere toestand, en wonderlijke inzichten en invloed die de eerste groep niet krijgt, maar zonder goede afloop, want hij is niet godvrezend, en de afloop is voor de godvrezenden. De religie van de eerste groep is zwak maar blijvend, als hij haar niet bederft met ongeduld en machteloosheid; van de tweede blijft alleen wat met gebod en sunna overeenkwam. De slechtste groep aanbidt Hem niet en zoekt Zijn hulp niet. De Muʿtazila zijn in hun respect voor gebod en verbod beter dan de fatalisten die de sharīʿa negeren; de soefi's zijn in voorbeschikking en het zien van Allahs heerschappij beter dan de Muʿtazila, maar sommigen negeren een deel van het gebod en maken opgaan in de heerschappij tot doel, zodat ook zij zich van de gemeenschap afzonderen. Beide groepen ontstonden in Baṣra.

  13. De metgezellen volgen; het rechte pad

    De religie van Allah is wat Hij met Zijn boodschappers en Boeken zond: het rechte pad, de weg van de metgezellen van de Boodschapper ﷺ, de beste generatie. "De eersten van de Muhājirūn en de Anṣār en wie hen goed volgden: Allah is tevreden met hen"; "de beste generatie is die waarin ik gezonden ben, dan de volgende, dan de volgende". Ibn Masʿūd zei: wie van jullie iemand wil volgen, volge wie gestorven is, want voor de levende is de beproeving niet uitgesloten; dat zijn de metgezellen van Muḥammad ﷺ, de vroomste harten van deze gemeenschap, met de diepste kennis en het minste vertoon; erken hun recht en houd je aan hun leiding. Ḥudhayfa zei: o Koranlezers, wees standvastig en ga de weg van wie vóór jullie waren. De Profeet ﷺ trok een lijn en lijnen rechts en links ervan, en zei: "dit is de weg van Allah, en dit zijn wegen; op elk ervan staat een duivel die ertoe oproept", en reciteerde: "dit is Mijn rechte pad, volg het".

    Meer uitleg

    Allah beval ons in het gebed te zeggen: "leid ons het rechte pad, het pad van hen aan wie U gunsten gaf, niet van wie de toorn treft en niet van de dwalenden". De Profeet ﷺ zei: "de joden treft de toorn en de christenen dwalen", want de joden kenden de waarheid en volgden haar niet, en de christenen aanbaden Allah zonder kennis. Daarom zei men: zoek bij Allah bescherming tegen de beproeving van de zondige geleerde en de onwetende aanbidder. Ibn ʿAbbās zei over "wie Mijn leiding volgt, dwaalt niet en wordt niet ellendig": Allah garandeert wie de Koran leest en ernaar handelt dat hij in deze wereld niet dwaalt en in het Hiernamaals niet ellendig wordt. Hij sluit af met de bede om leiding naar het rechte pad.

Kernpunten

OpsommingUit het boek

Dwalende groepen in de voorbeschikking

  1. Madjoes-achtig: voorbeschikking ontkend (Muʿtazila)
  2. polytheïstisch: gebod en verbod ontkend
  3. Iblīs-achtig: wijsheid aangevallen
  4. ahl as-sunna: beide aanvaard
OnderscheidUit het boek

Oorzaken

  • Allah werkt erdoor, niet er alleen bij
  • ze ontkennen gaat tegen de Koran in
  • ze scheppend maken is shirk
  • niets werkt alleen, behalve Allah
BewijsUit het boek

Niets werkt helemaal alleen

  • vuur heeft brandbaar materiaal nodig en verbrandt salamander en robijn niet
  • de zon heeft iets nodig wat terugkaatst
  • een scherm houdt de stralen tegen
  • "van alles hebben Wij paren geschapen"
OpsommingUit het boek

Hoe je nuttig en schadelijk kent

  1. een deel door aanleg
  2. een deel door redeneren
  3. een deel alleen via de profeten
  4. details en afloop via de openbaring
OpsommingUit het boek

Drie soorten fanāʾ

  1. wettig: van aanbidding van anderen in aanbidding van Hem (goed)
  2. niets anders meer zien: gebrekkig
  3. niets anders bestaat: eenwording en ketterij
DefinitieUit het boek

Twee bij het gebod, twee bij de voorbeschikking

  • gebod: inspanning om te gehoorzamen
  • dan vergeving voor tekortkoming
  • voorbeschikking: hulp zoeken en vertrouwen
  • dan geduld met wat bepaald is
BewijsUit het boek

Ādam en Mūsā

  • Mūsā verweet de ramp, niet de zonde
  • Ādam had berouw, en een berouwvolle is als zonder zonde
  • dus won Ādam
  • voorbeschikking bij rampen, vergeving bij zonden
DefinitieUit het boek

Twee voorwaarden voor aanvaarding

  • oprecht: voor Allah
  • juist: volgens de sunna
  • al-Fuḍayl: het meest oprecht en het meest juist
  • het gebed van ʿUmar: goed en oprecht

خبايا الزوايا

Khabāyā az-zawāyā: wat in de hoeken verborgen zit. Fijne punten, uitzonderingen en subtiele onderscheiden uit de les zelf, die je bij snel lezen mist.

Waarom deze namen?

Madjoes-achtig omdat ze, net als de Madjoes met licht en duisternis, een andere schepper voor de daden van de dienaren aannemen; polytheïstisch omdat ze de voorbeschikking aanvoeren zoals de polytheïsten; Iblīs-achtig omdat ze Allahs wijsheid bekritiseren zoals Iblīs. (Toelichting)

De salamander en de robijn

Hij wijst erop dat vuur sommige stoffen niet verbrandt, om te tonen dat een oorzaak niet alleen werkt: ze heeft een ontvankelijk materiaal nodig en de afwezigheid van een belemmering.

Een slapende verliest zijn waarneming niet

Hij droomt van wat hem blij of verdrietig maakt; hoe kan iemand dan beweren dat een mysticus bij leven zijn onderscheidingsvermogen helemaal verliest?

Wie op zijn vader lijkt, doet geen onrecht

Wie zondigt en berouw toont, lijkt op Ādam; wie volhardt en de voorbeschikking aanvoert, lijkt op Iblīs.

Daden afsluiten met vergeving vragen

Zelfs na de grootste daden: het gebed, de nachtwake, en het overbrengen van de boodschap in de laatste soera die neerkwam.

Beide groepen ontstonden in Baṣra

De Muʿtazila en de soefi's die het gebod negeren ontstonden allebei in Baṣra; door zich van de gemeenschap af te zonderen zijn die soefi's in zekere zin ook "afgescheidenen" (muʿtazila).

De zondige geleerde en de onwetende aanbidder

De eerste lijkt op de joden, de tweede op de christenen; hun beproeving is een beproeving voor ieder die zich laat misleiden.

Begrippen

المجوسية

al-majūsiyya

Wie de voorbeschikking ontkent en het gebod aanvaardt; de extremen ontkennen Allahs voorkennis en het opschrijven, de gematigden Zijn alomvattende wil en schepping: de Muʿtazila.

المشركية

al-mushrikiyya

Wie de voorbeschikking aanvaardt en gebod en verbod ontkent, zoals "had Allah gewild, dan hadden we geen shirk gepleegd"; veel bij soefi's van de "werkelijkheid".

الإبليسية

al-iblīsiyya

Wie beide aanvaardt maar het tegenstrijdig noemt en Allahs wijsheid en rechtvaardigheid aanvalt, zoals van Iblīs verteld wordt.

الأسباب

al-asbāb

De krachten en natuurlijke eigenschappen die Allah schiep en waardoor Hij de gevolgen schept; ze zijn niet zelfstandig.

«الواحد لا يصدر عنه إلا واحد»

al-wāḥid lā yaṣdur ʿanhu illā wāḥid

Stelling van de filosofen: uit één komt slechts één voort; onwetendheid, want niets brengt in zijn eentje iets voort behalve Allah.

حارث همام

ḥārith hammām

De mens beweegt door zijn wil: hij werkt en neemt zich voor; vandaar "de meest ware namen zijn Ḥārith en Hammām".

الملاءمة والمنافرة

al-mulāʾama wa-l-munāfara

Of een daad leidt tot wat de handelende liefheeft of tot wat hem schaadt; dat kent verstand en openbaring, de details en de afloop alleen de openbaring.

الحقيقة الكونية والدينية

al-ḥaqīqa al-kawniyya wa-d-dīniyya

Kosmisch: voorbeschikking en wil; religieus: het onderscheid tussen nuttig en schadelijk, gebod en verbod.

الفناء الشرعي

al-fanāʾ ash-sharʿī

Opgaan van wat Allah niet bevolen heeft in wat Hij wel beval: van aanbidding van anderen in aanbidding van Hem, van liefde voor anderen in liefde voor Hem.

الاصطلام

al-iṣṭilām

Een toestand waarin men sommige dingen niet meer waarneemt; het onderscheidingsvermogen verdwijnt nooit helemaal.

الاتحاد

al-ittiḥād

Opgaan in de zin dat het schepsel niet meer bestaat en het bestaan van het schepsel hetzelfde is als dat van de Schepper; de leer van de ketters.

المصائب والمعائب

al-maṣāʾib wa-l-maʿāʾib

Rampen: wat je overkomt; daarbij kijk je naar de voorbeschikking en ben je geduldig. Zonden: daarvoor vraag je vergeving.

خالصا صوابا

khāliṣan ṣawāban

Oprecht is: voor Allah; juist is: volgens de sunna.

المغضوب عليهم والضالون

al-maghḍūb ʿalayhim wa-ḍ-ḍāllūn

De joden kenden de waarheid en volgden haar niet; de christenen aanbaden Allah zonder kennis.

Regels (qawāʿid)

De uṣūl-regels (qawāʿid) en vuistregels uit dit hoofdstuk, kort geformuleerd om te onthouden.

  1. Allah werkt door oorzaken, en die zijn niet zelfstandig

    الله يفعل بالأسباب وليست مستقلة

  2. Geloof in de voorbeschikking is het snoer van tawḥīd

    الإيمان بالقدر نظام التوحيد

  3. Niets brengt in zijn eentje iets voort, behalve Allah

    ليس في الوجود واحد يصدر عنه وحده شيء إلا الله

  4. De details van goed en kwaad en de afloop kent alleen de openbaring

    تفصيل الحسن والقبح وعاقبة الأفعال لا يعلم إلا بالشرع

  5. Is de voorbeschikking jouw argument, dan ook dat van de ander

    إن كان القدر حجة لك فهو حجة لغيرك

  6. Voorbeschikking bij rampen, niet bij zonden

    يحتج بالقدر في المصائب لا في المعائب

  7. Wie berouw heeft, is als wie geen zonde heeft

    التائب من الذنب كمن لا ذنب له

  8. Een daad wordt alleen aanvaard als ze oprecht en juist is

    لا يقبل العمل إلا خالصا صوابا

  9. Alleen verboden wat Allah verbood, alleen religie wat Allah voorschreef

    لا حرام إلا ما حرمه الله، ولا دين إلا ما شرعه الله

Meningsverschillen

Kwesties waarover de geleerden verschillen, met de standpunten en wat de auteur of de toelichting de voorkeur geeft.

  1. Werkt Allah door oorzaken of er alleen bij?

    1. er alleen bij: oorzaken doen niets
    2. oorzaken scheppen zelfstandig
    3. erdoor, maar ze zijn geschapen en niet zelfstandig

    Voorkeur: Het derde; het eerste gaat tegen de Koran in, het tweede is shirk.

  2. Kent het verstand goed en kwaad van daden?

    1. ja, in een betekenis los van nut en schade
    2. nee, en het religieuze goed en kwaad staat daar los van

    Voorkeur: Beide vergisten zich: goed en kwaad is of een daad baat of schaadt; het verstand kent de hoofdlijnen, de openbaring de details en de afloop.

  3. Waarom doet Allah niets slechts?

    1. omdat het op zich onmogelijk is
    2. omdat Hij vrij is van het "verstandelijk slechte"

    Voorkeur: Beide wijken af; Allah wordt geprezen voor de rechtvaardigheid en goedheid die Hij doet en het onrecht dat Hij laat.

Koranverzen

De Koranverzen die in dit hoofdstuk als bewijs of voorbeeld worden aangehaald, en waarvoor.

  1. ﴿﴿سيقول الذين أشركوا لو شاء الله ما أشركنا ولا آباؤنا ولا حرمنا من شيء﴾﴾

    De voorbeschikking aanvoeren voor shirk.

  2. ﴿﴿فأنزلنا به الماء فأخرجنا به من كل الثمرات﴾﴾

    "Ermee": Allah werkt door oorzaken.

  3. ﴿﴿ومن كل شيء خلقنا زوجين لعلكم تذكرون﴾﴾

    Niets is zelfstandig; de Schepper van de paren is Eén.

  4. ﴿﴿وكذلك أوحينا إليك روحا من أمرنا ما كنت تدري ما الكتاب ولا الإيمان﴾﴾

    De details kent alleen de openbaring.

  5. ﴿﴿فاصبر إن وعد الله حق واستغفر لذنبك﴾﴾

    Geduld bij de voorbeschikking, vergeving bij het gebod.

  6. ﴿﴿فاعلم أنه لا إله إلا الله واستغفر لذنبك﴾﴾

    Tawḥīd en vergeving samen.

  7. ﴿﴿أن لا إله إلا أنت سبحانك إني كنت من الظالمين﴾﴾

    Het smeekgebed van Dhū n-Nūn.

  8. ﴿﴿إياك نعبد وإياك نستعين﴾﴾

    Aanbidding en hulp zoeken samen.

  9. ﴿﴿ليبلوكم أيكم أحسن عملا﴾﴾

    Het meest oprecht en het meest juist.

  10. ﴿﴿أم لهم شركاء شرعوا لهم من الدين ما لم يأذن به الله﴾﴾

    Alleen religie wat Allah voorschreef.

  11. ﴿﴿والسابقون الأولون من المهاجرين والأنصار والذين اتبعوهم بإحسان﴾﴾

    De voortreffelijkheid van de metgezellen en hun volgelingen.

  12. ﴿﴿اهدنا الصراط المستقيم • صراط الذين أنعمت عليهم غير المغضوب عليهم ولا الضالين﴾﴾

    Het rechte pad, anders dan dat van joden en christenen.

Hadith

De hadith die in dit hoofdstuk genoemd worden, zoals in de notities.

  1. Overgeleverd door Abū Wahb al-Jushamī

    ««أصدق الأسماء حارث وهمام»»

    "De meest ware namen zijn Ḥārith en Hammām."

    Bron: Vergelijkbaar bij Abū Dāwūd (de auteur noemt de bron niet)

    Want de mens handelt en wil altijd.

  2. Overgeleverd door Abū Hurayra en al-Agharr al-Muzanī

    ««يا أيها الناس توبوا إلى ربكم، فوالذي نفسي بيده إني لأستغفر الله وأتوب إليه في اليوم أكثر من سبعين مرة»»

    "Mensen, keer berouwvol tot jullie Heer; bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, ik vraag Allah meer dan zeventig keer per dag om vergeving en keer tot Hem terug."

    Bron: De auteur: in de authentieke hadith; vergelijkbaar bij al-Bukhārī en Muslim

    Alle dienaren hebben vergeving nodig.

  3. Overgeleverd door al-Agharr al-Muzanī

    ««إنه ليغان على قلبي، وإني لأستغفر الله وأتوب إليه في اليوم مائة مرة»»

    "Er komt een sluier over mijn hart, en ik vraag Allah honderd keer per dag om vergeving en keer tot Hem terug."

    Bron: In Ṣaḥīḥ Muslim (de auteur noemt de bron niet)

  4. Overgeleverd door Abū Mūsā al-Ashʿarī

    ««اللهم اغفر لي خطيئتي وجهلي، وإسرافي في أمري، وما أنت أعلم به مني، اللهم اغفر لي خطئي وعمدي، وهزلي وجدي، وكل ذلك عندي...»»

    "Allah, vergeef mij mijn fouten, mijn onwetendheid, mijn overdaad in mijn zaken en wat U beter weet dan ik; Allah, vergeef mij wat ik per ongeluk en met opzet deed, in scherts en in ernst; dat alles is bij mij..."

    Bron: Bij al-Bukhārī en Muslim (de auteur noemt de bron niet)

  5. Overgeleverd door Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq

    ««يقول الشيطان: أهلكت الناس بالذنوب، وأهلكوني بلا إله إلا الله والاستغفار، فلما رأيت ذلك بثثت فيهم الأهواء، فهم يذنبون ولا يتوبون، لأنهم يحسبون أنهم يحسنون صنعا»»

    "De duivel zegt: ik heb de mensen met zonden vernietigd, en zij vernietigden mij met lā ilāha illā llāh en vergeving vragen. Toen ik dat zag, verspreidde ik begeerten onder hen; nu zondigen ze zonder berouw, omdat ze denken dat ze goed doen."

    Bron: De auteur: overgeleverd door Ibn Abī ʿĀṣim en anderen (de keten is zwak)

    De duivel houdt meer van innovatie dan van zonde, omdat de vernieuwer er geen berouw over heeft.

  6. Overgeleverd door Saʿd ibn Abī Waqqāṣ

    ««دعوة أخي ذي النون ما دعا بها مكروب إلا فرج الله بها كربه»»

    "Met het smeekgebed van mijn broer Dhū n-Nūn bidt geen bedroefde zonder dat Allah daarmee zijn zorg wegneemt."

    Bron: Vergelijkbaar bij at-Tirmidhī en Aḥmad (de auteur noemt de bron niet)

    Combineert tawḥīd en het erkennen van zonde.

  7. Overgeleverd door Thawbān

    «كان ﷺ إذا انصرف من صلاته استغفر ثلاثا»

    Na zijn gebed vroeg de Profeet ﷺ driemaal om vergeving.

    Bron: In Ṣaḥīḥ Muslim (de auteur noemt de bron niet)

    Daden afsluiten met vergeving vragen.

  8. Overgeleverd door Abū Hurayra

    «احتج آدم وموسى ... «فحج آدم موسى»»

    Ādam en Mūsā discussieerden ... "en Ādam won het van Mūsā."

    Bron: Bij al-Bukhārī en Muslim (de auteur noemt de bron niet)

    De voorbeschikking aanvoeren bij de ramp, niet bij de zonde.

  9. Overgeleverd door Jābir ibn ʿAbdillāh

    ««اللهم منك ولك»»

    "Allah, (het komt) van U en (is) voor U."

    Bron: Vergelijkbaar bij Abū Dāwūd (de auteur noemt de bron niet)

    "Van U": hulp; "voor U": aanbidding.

  10. Overgeleverd door Ibn Masʿūd en ʿImrān ibn Ḥuṣayn

    ««خير القرون القرن الذي بعثت فيهم، ثم الذين يلونهم، ثم الذين يلونهم»»

    "De beste generatie is die waarin ik gezonden ben, dan wie hen volgen, dan wie hen volgen."

    Bron: De auteur: in de authentieke hadith; vergelijkbaar bij al-Bukhārī en Muslim

  11. Overgeleverd door ʿAbdullāh ibn Masʿūd

    «خط لنا رسول الله ﷺ خطا، وخط خطوطا عن يمينه وشماله، ثم قال: «هذا سبيل الله، وهذه سبل على كل سبيل منها شيطان يدعو إليه»»

    De Boodschapper van Allah ﷺ trok voor ons een lijn, en lijnen rechts en links ervan, en zei: "Dit is de weg van Allah, en dit zijn wegen; op elk ervan staat een duivel die ertoe oproept."

    Bron: Bij Aḥmad, an-Nasāʾī (al-Kubrā) en ad-Dārimī (de auteur noemt de bron niet)

    Daarna reciteerde hij: "dit is Mijn rechte pad, volg het".

  12. Overgeleverd door ʿAdī ibn Ḥātim

    ««اليهود مغضوب عليهم والنصارى ضالون»»

    "De joden treft de toorn en de christenen dwalen."

    Bron: Vergelijkbaar bij at-Tirmidhī en Aḥmad (de auteur noemt de bron niet)

    De joden kenden de waarheid en volgden haar niet; de christenen aanbaden zonder kennis.

Personen

De personen die in dit hoofdstuk genoemd worden, en waarom.

Genoemd in de tekst

Genoemd in de bronvermelding

Herhaling

Het belangrijkste vlak voor een toets

  • Geloof in Allahs schepping én gebod.
  • Dwalenden: Madjoes-achtig, polytheïstisch, Iblīs-achtig.
  • Allah werkt door oorzaken; niets anders werkt alleen.
  • Voorbeschikking is het snoer van tawḥīd.
  • De mens heeft de sharīʿa nodig.
  • Details van goed en kwaad: via de openbaring.
  • Alleen de voorbeschikking zien gaat tegen zintuig en verstand.
  • Fanāʾ: wettig, gebrekkig, eenwording.
  • Gebod: inspanning en vergeving; voorbeschikking: hulp en geduld.
  • Ādam won omdat het verwijt de ramp gold.
  • Een daad: oprecht en juist.
  • De religie van Allah is de weg van de metgezellen.

Flitskaarten

Mijn favorieten

Tik op het sterretje bij een kaart om hem hier te bewaren.

Veelgemaakte fouten

Fouten die studenten bij dit hoofdstuk vaak maken, met wat juist is.

  • ✗ Niet zo: De voorbeschikking aanvoeren om het gebod te laten

    ✓ Wel zo: Dat zeiden de polytheïsten.

  • ✗ Niet zo: Het verliezen van onderscheid in fanāʾ prijzen

    ✓ Wel zo: Er is geen lof in het verliezen van onderscheid en verstand; het is een gebrekkige toestand.

  • ✗ Niet zo: Niets-anders-meer-zien als einddoel zien

    ✓ Wel zo: De Profeet ﷺ en de eerste moslims kenden het niet; wie het als doel ziet, dwaalt.

  • ✗ Niet zo: Denken dat Ādam de voorbeschikking aanvoerde voor de zonde

    ✓ Wel zo: Hij voerde haar aan voor de ramp, na zijn berouw.

  • ✗ Niet zo: Een oprechte maar onjuiste, of juiste maar onoprechte daad

    ✓ Wel zo: Wordt niet aanvaard tot hij oprecht én juist is.

Test jezelf

  1. Bij welke van de drie groepen horen de Muʿtazila?

  2. Wie de voorbeschikking aanvaardt en gebod en verbod ontkent, hoort bij:

  3. Wie zegt "Allah werkt bij de oorzaken, niet erdoor", volgt de Koran.

  4. Wie zei: "geloof in de voorbeschikking is het snoer van tawḥīd"?

  5. Hoe weerlegt hij "uit één komt slechts één voort"?

  6. Wat betekent "de mens is ḥārith hammām"?

  7. Wat ken je alleen via de openbaring?

  8. Het prijzenswaardige fanāʾ is:

  9. Het "niets anders meer zien" overkwam de Profeet ﷺ en de eerste moslims.

  10. Wat zeg je tegen iemand die de voorbeschikking aanvoert, maar wie hem slaat toch verwijt?

  11. Wat zijn de twee grondslagen bij de voorbeschikking?

  12. Waarom won Ādam het van Mūsā?

  13. Al-Fuḍayl legde "de beste daden" uit als:

  14. De slechtste groep in aanbidding en hulp zoeken:

  15. De Muʿtazila en de soefi's die het gebod negeren ontstonden in Baṣra.

  16. Waarom heten de christenen "dwalenden"?

Originele tekst

Deze pagina bundelt de onderdelen van dit hoofdstuk. De tekst van elk onderdeel zoals in de notities:

  1. Onderdeel 24 فصل: مذاهب الناس في القدر، وإثبات الأسباب

    Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 68–69

  2. Onderdeel 25 ضرورة الإنسان إلى الشرع، وحسن الأفعال وقبحها

    Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 70–71

  3. Onderdeel 26 مخالفة من ينظر إلى القدر ويعرض عن الشرع

    Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 72–74

  4. Onderdeel 27 الواجب في الشرع والقدر عملا: الاستغفار والصبر

    Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 75–76

  5. Onderdeel 28 العبادة والاستعانة، وأقسام الناس فيهما، والوصية باتباع الصحابة

    Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 77

Het hele hoofdstuk in de notities: at-Tadmuriyya van Ibn Taymiyya · p. 68–80 p. 68

Dit is een studiehulp; de notities zelf blijven de bron.