Eenheid 1: Inleiding, al-Fātiḥa en het begin van al-Baqara#
Overzicht
Eenheid 1 · 4 onderdelen
Inleiding, al-Fātiḥa en het begin van al-Baqara
Inleiding, de recitatie en het āmīn van wie achter de imam bidt, de grondregel voor dingen en het verbreken van een verbond
De notities openen met de drie delen van de Koran: tawḥīd, vermaning (tadhkīr) en aḥkām, en stellen Ibn al-ʿArabī en zijn werk voor, een hoofdwerk van de Mālikitische fiqh-tafsīr; de les geeft zijn woorden weer en bespreekt ze kritisch. Bij al-Fātiḥa volgen twee kwesties: de recitatie van al-Fātiḥa door wie achter de imam bidt (drie Mālikitische meningen; Ibn al-ʿArabī: verplicht in het stille gebed, verboden in het hardop gebed als hij de imam hoort), met de bewijzen, de regel dat het specifieke voorgaat op het algemene en de stappen bij tegenstrijdige bewijzen; en het āmīn van imam, volgeling en wie alleen bidt. Bij al-Baqara: vers 29 en de drie meningen over de grondregel voor dingen, met Ibn al-ʿArabī die zegt dat het vers tot overpeinzing dient; en vers 27 over het verbreken van een verbond (ʿahd), de twee soorten ʿahd, Ibn Taymiyya over verbonden en contracten, en een nuttig punt over de gelofte (nadhr).
Bron: Notities bij Aḥkām al-Qurʾān (Ibn al-ʿArabī) · p. 1–6
De eenheid in één kaart
Van bladzijde 1 tot 6.
InleidingDelen van de Koran en de auteur
- tawḥīd, vermaning, aḥkām
- Ibn al-ʿArabī (gest. 543 n.H.)
- methode: weergeven en kritisch bespreken
Recitatie van al-Fātiḥa achter de imamp. 1–2
- drie Mālikitische meningen
- de keuze van Ibn al-ʿArabī
- het specifieke gaat voor
- tegenstrijdigheid oplossen
Het āmīnp. 3–4
- alleen, volgeling, imam
- āmīn hardop
- wanneer de volgeling āmīn zegt
Vers 29: Hij schiep voor jullie alles op aardep. 4–5
- verbod, toestemming, geen oordeel
- gunst of overpeinzing
- de meerderheid en Abū Ḥanīfa
Vers 27: wie het verbond van Allah verbrekenp. 5–6
- ʿahd met en zonder boetedoening
- verbonden en contracten bij Ibn Taymiyya
- de gelofte en haar boetedoening
Het hoofdstuk in één oogopslag
De Koran bestaat volgens de salaf uit drie delen: tawḥīd, vermaning (tadhkīr) en aḥkām.
Tawḥīd: de Schepper kennen in Zijn namen, eigenschappen en daden. Tadhkīr: belofte en dreiging, Paradijs en Hel, en het zuiveren van uiterlijk en innerlijk. Aḥkām: alle opgelegde plichten, het uitleggen van nut en schade, en gebod, verbod en aanbeveling.
Onderdeel 2p. 1Aḥkām al-Qurʾān van Ibn al-ʿArabī is een van de belangrijkste werken van de fiqh-tafsīr in de Mālikitische school.
Volgens Ibn al-ʿArabī is al-Fātiḥa voor de volgeling verplicht in het stille gebed en verboden in het hardop gebed als hij de imam hoort.
Want hij moet dan zwijgen en luisteren; staat hij zo ver dat hij niets hoort, dan geldt het als een stil gebed.
Onderdeel 2p. 1De specifieke tekst gaat voor op de algemene: "geen gebed voor wie al-Fātiḥa niet reciteert" is algemeen, "als hij reciteert, zwijg dan" is specifiek.
Wie alleen bidt zegt āmīn, daarover is men het eens; de volgeling zegt het in het stille gebed na zijn eigen recitatie, en in het hardop gebed als de imam zijn recitatie afrondt.
Volgens Ibn al-ʿArabī zegt de imam āmīn hardop.
Ash-Shāfiʿī: "als de imam āmīn zegt" wijst erop dat hij het hardop moet zeggen, want wie achter hem staan weten alleen wanneer hij het zegt als ze het horen.
Onderdeel 2p. 3Volgens de meerderheid zijn dingen toegestaan tot een bewijs ze verbiedt; volgens Abū Ḥanīfa verboden tot een bewijs ze toestaat.
Ibn al-ʿArabī: vers 29 van al-Baqara bevat geen verbod, toestemming of opschorting; het dient als aanwijzing voor Zijn eenheid.
Onderdeel 4p. 5Een verbond (ʿahd) is tweeërlei: een ʿahd bedoeld als eed, met boetedoening; en een geoorloofd contract tussen twee partijen, dat niet verbroken mag worden en waarvoor geen boetedoening bestaat.
Onderdelen van dit hoofdstuk
De notities noemen voor de weerlegging van Ibn ʿUthaymīn "Zād al-Maʿād", maar dat boek is van Ibn al-Qayyim; daarom staat hier geen boektitel. De zin "overgeleverd door Aḥmad, en hij is een van wie hem zwak noemden" is onduidelijk; alleen al-Albānī en Ibn Maʿīn worden genoemd. In de kantlijn van p. 6 staat een onleesbaar woord; dat is weggelaten. De zin van Mālik "al-ʿahd bi-l-yamīn lam yaḥrum ḥalluhu li-ajl al-ʿaqd" is letterlijk vertaald, omdat de notities hem beknopt geven zonder uitleg.
Schema’s
Al-Fātiḥa achter de imam: de Mālikitische meningen
Drie meningen, daarna de keuze van Ibn al-ʿArabī (p. 1).
Reciteert de volgeling al-Fātiḥa?
Ibn al-Qāsimalleen als de imam stil reciteert
Ibn Wahb en Ashhabhij reciteert niet
Muḥammad ibn ʿAbd al-Ḥakamhij reciteert, maar laat hij het na dan is het gebed geldig; hij zag het blijkbaar als aanbevolen
Ibn al-ʿArabīverplicht in het stille gebed, verboden in het hardop gebed als hij hoort; wie ver staat, als in een stil gebed
Mālik steunt op de consensus van de mensen van Medina dat men in het hardop gebed niet achter de imam reciteert. Onderdeel 2p. 1
Het āmīn in het gebed
Wie bidt is imam, volgeling of alleen (p. 3).
| Vergelijking | Regel | Hardop of stil |
|---|---|---|
| Wie alleen bidt | zegt āmīn, daarover is men het eens | niet in de notities |
| De volgeling | stil gebed: na zijn eigen recitatie; hardop gebed: als de imam zijn recitatie afrondt | ash-Shāfiʿī: hardop; Abū Ḥanīfa en Ibn Ḥabīb: stil |
| De imam | Mālik: "als hij āmīn zegt" betekent: als hij de plaats van het āmīn bereikt; Ibn Ḥabīb: hij zegt āmīn | Ibn al-ʿArabī: hij zegt het hardop |
Als twee bewijzen tegenstrijdig lijken
De volgorde zoals in de notities (p. 2).
Verenigenkunnen beide bewijzen verenigd worden, dan is dat het beste
Eerder en laterlukt dat niet, dan kijkt men welk eerder en welk later kwam: het latere beperkt of heft het eerdere op
Opheffing volgens de datumzijn verenigen en afwegen onmogelijk, dan kijkt men naar de datum en past men opheffing toe
Opschortenanders schort men het oordeel op of zoekt men een ander bewijs
In de kantlijn: het is beter te kijken naar de algemene tekst waarop geen uitzondering is gemaakt. Onderdeel 2p. 2
Drie meningen bij vers 29
Wat geldt voor dingen zolang er geen bewijs is? (p. 4–5)
Verbodalles is verboden tot een bewijs het toestaat; volgens de notities de mening van Abū Ḥanīfa
Toestemmingalles is toegestaan tot een bewijs het verbiedt; de mening van de meerderheid, met als bewijs dat het vers gunsten opsomt
Opschortinggeen oordeel tot er een bewijs komt
Ibn al-ʿArabī over het vershet vers wijst op verbod noch toestemming noch opschorting; het dient als aanwijzing en overpeinzing
Soorten verbond en gelofte
Bij het vers over het verbreken van het verbond (p. 5–6).
Het verbond (ʿahd)
Met boetedoeningbedoeld als eed om iets te laten of te doen
Zonder boetedoeningeen geoorloofd contract tussen twee partijen: het mag niet verbroken worden, en voor wie het breekt wordt een vaandel opgericht "naar de maat van zijn verraad"
De geloftekan hij het: nakomen; kan hij het blijvend niet: boetedoening van een eed; in de vorm van een eed: hij mag kiezen
Uitleg
Inleiding: de delen van de Koran en de fiqh-tafsīr
De Koran bestaat volgens de salaf uit drie delen: tawḥīd, de Schepper kennen in Zijn namen, eigenschappen en daden; vermaning (tadhkīr), met belofte en dreiging, Paradijs en Hel en het zuiveren van uiterlijk en innerlijk; en aḥkām, met alle opgelegde plichten, uitleg van nut en schade, en gebod, verbod en aanbeveling. Naast tawḥīd en vermaning bevat de Koran fiqh-regels die de belangen van de mensen in dit leven en het hiernamaals betreffen. Daarom schreven veel geleerden van verschillende scholen een fiqh-tafsīr, onder wie al-Qāḍī Abū Bakr Ibn al-ʿArabī. Zijn boek geldt als een van de belangrijkste werken van de fiqh-tafsīr in de Mālikitische school. De les geeft zijn woorden weer en bespreekt ze kritisch.
De auteur: al-Qāḍī Abū Bakr Ibn al-ʿArabī
Al-Qāḍī Abū Bakr Ibn al-ʿArabī al-Andalusī al-Ishbīlī was een van de grote geleerden van al-Andalus. Hij was rechter van Sevilla, gaf dat later op en legde zich toe op het verspreiden van kennis. Hij overleed vlak bij Fez in 543 n.H., werd daarheen gebracht en daar begraven.
Al-Fātiḥa: de recitatie door wie achter de imam bidt
De Mālikieten hebben drie meningen: (1) Ibn al-Qāsim: hij reciteert haar alleen als de imam stil reciteert. (2) Ibn Wahb en Ashhab: hij reciteert niet. (3) Muḥammad ibn ʿAbd al-Ḥakam: hij reciteert haar achter de imam, maar laat hij het na dan is het gebed geldig; hij zag het blijkbaar als aanbevolen. Volgens Ibn al-ʿArabī is zij verplicht in het stille gebed en verboden in het hardop gebed als hij de imam hoort, omdat hij dan moet zwijgen en luisteren; hoort hij niets, dan reciteert hij, en staat hij ver weg dan geldt het als een stil gebed. De uitleg in de notities: het gebod van de Profeet ﷺ om haar te reciteren is algemeen voor elk gebed en elke situatie; het hardop gebed is daarvan uitgezonderd door de plicht te zwijgen, en voor de rest blijft het algemene gelden. Mālik steunt op de consensus van de mensen van Medina dat men in het hardop gebed niet achter de imam reciteert.
Meer uitleg
De notities stellen de geleerden voor: ʿAbd ar-Raḥmān ibn al-Qāsim was twintig jaar bij Mālik, behoort tot de groten van de Egyptische school en is de man van al-Mudawwana al-Kubrā, de fiqh-kwesties die van Mālik werden opgetekend. ʿAbdullāh ibn Wahb was een Mālikitische faqīh in Egypte die meer dan twintig jaar bij Mālik bleef. Abū ʿAmr Ashhab was een Egyptische Mālikitische faqīh en eveneens leerling van Mālik. Muḥammad ibn ʿAbd al-Ḥakam was een Egyptische Mālikiet.
Bewijzen om in het hardop gebed niet te reciteren
Ibn Taymiyya in al-Fatāwā al-Kubrā: als recitatie in het hardop gebed verplicht was voor de volgeling, dan zou één van twee dingen moeten: of hij reciteert tegelijk met de imam, of de imam moet zwijgen tot hij gereciteerd heeft. Er is geen meningsverschil bekend dat de imam niet hoeft te zwijgen voor de recitatie van de volgeling, en tegelijk met hem reciteren is verboden door Koran en Sunna. Een van de sterkste bewijzen is de hadith van Abū Mūsā al-Ashʿarī bij Muslim: «Als hij de takbīr zegt, zeg dan de takbīr, en als hij reciteert, zwijg dan.» De specifieke tekst gaat voor op de algemene: algemeen is «geen gebed voor wie al-Fātiḥa niet reciteert», specifiek is «als hij reciteert, zwijg dan», dat wil zeggen als de imam zo reciteert dat de volgeling kan luisteren.
De weerlegging door shaykh Ibn ʿUthaymīn
Shaykh Ibn ʿUthaymīn antwoordde: het klopt dat «als hij reciteert, zwijg dan» algemeen is, voor al-Fātiḥa en andere verzen, maar dat algemene is beperkt door het algemene «geen gebed voor wie al-Fātiḥa niet reciteert». Ter versterking haalde hij de hadith aan dat de recitatie de Profeet ﷺ zwaar viel omdat sommigen achter hem reciteerden, en dat hij zei: «Doe dat niet, behalve met al-Fātiḥa.» Deze hadith is overgeleverd door Aḥmad; al-Albānī noemde hem zwak, en Yaḥyā ibn Maʿīn zei over een van de overleveraars: hij is geen bewijs. Zo gaat het eigenlijk om twee algemene teksten tegenover elkaar; volgens de uitleg is de tweede hadith hier een beperking van de eerste.
Als twee algemene teksten botsen
Kunnen beide bewijzen verenigd worden, dan is dat het beste. Kan dat niet, dan kijkt men wat eerder en wat later kwam: het latere beperkt het eerdere of heft het op. Zijn verenigen en afwegen onmogelijk, dan kijkt men naar de datum en past men opheffing (naskh) toe. Anders schort men het oordeel op of zoekt men een ander bewijs. In de kantlijn: het is beter te kijken naar de algemene tekst waarop geen uitzondering is gemaakt (al-ʿāmm al-maḥfūẓ).
Het āmīn van wie bidt
Wie bidt is imam, volgeling of alleen. Wie alleen bidt zegt āmīn, daarover is men het eens. De volgeling zegt het in het stille gebed voor zichzelf na zijn eigen recitatie, en in het hardop gebed als zijn imam de recitatie afrondt. Over de imam zei Mālik: «als de imam āmīn zegt, zeg dan āmīn» betekent: als hij de plaats van het āmīn bereikt. ʿAbd al-Malik ibn Ḥabīb, Mālikiet uit Córdoba: de imam zegt āmīn. Zegt de imam āmīn, dan zegt de volgeling het volgens ash-Shāfiʿī hardop, volgens Abū Ḥanīfa en Ibn Ḥabīb stil. Volgens Ibn al-ʿArabī zegt de imam het hardop. Bij al-Bukhārī staat: «tot de moskee galmde (lajja) van het āmīn van de mensen»; lajja is veel stemmen door elkaar, wat alleen gebeurt als de stemmen luid zijn. Ibn Rushd zegt in Bidāyat al-Mujtahid over die hadith: het is een duidelijke tekst over het āmīn van de imam. Ash-Shāfiʿī: hierin ligt dat de imam het hardop moet zeggen, want wie achter hem staan weten alleen wanneer hij het zegt als ze het horen.
Wanneer zegt de volgeling āmīn?
Op grond van «als de imam āmīn zegt, zeg dan āmīn» zegt hij het na de imam, want het voegwoord fa duidt op volgorde met directe opvolging. Maar bij al-Bukhārī staat in de hadith van Abū Hurayra: «Als de imam zegt: ﴿niet van hen op wie toorn rust, noch van de dwalenden﴾, zeg dan: āmīn...» Dan betekent de andere hadith: als hij de plaats van het āmīn bereikt, namelijk ﴿noch van de dwalenden﴾, zeg dan āmīn. De hadith legt zichzelf uit, zoals shaykh Ibn ʿUthaymīn zei.
Al-Baqara: "Hij is het die voor jullie alles op aarde schiep" (vers 29)
Ibn al-ʿArabī: onze geleerden zeiden dat deze soera een van de grootste van de Koran is; ik hoorde een van mijn leraren zeggen: er staan duizend geboden, duizend verboden, duizend regels en duizend berichten in. Om haar rijke fiqh bleef ʿAbdullāh ibn ʿUmar acht jaar bezig haar te leren. Over dit vers zijn er drie meningen: alle dingen zijn verboden tot een bewijs ze toestaat; of toegestaan tot een bewijs ze verbiedt; of ze hebben geen oordeel tot een bewijs komt (opschorting). Men leidde uit het vers af dat dingen in principe toegestaan en rein zijn, omdat het gunsten opsomt. Ibn al-ʿArabī weerlegt dat: "Hij schiep voor jullie" gaat niet over gebruik maar over aanwijzing en overpeinzing, zoals blijkt uit de tekens ervoor en erna: leven geven, doen sterven, scheppen, zich tot de hemel wenden en die vormen. Wie jullie leven gaf en jullie, de hemelen en de aarde schiep, kan jullie ook terugbrengen. Hij zegt: dit bericht over Zijn macht houdt geen verbod, toestemming of opschorting in; het vers dient als aanwijzing om Zijn eenheid aan te tonen.
Meer uitleg
Volgens de notities noemt Ibn al-ʿArabī aan het begin van zijn rangschikking van de aḥkām-verzen in al-Baqara het getal zestig.
Dingen zijn in principe toegestaan
Volgens de meerderheid zijn dingen toegestaan tot een bewijs ze verbiedt; volgens Abū Ḥanīfa verboden tot een bewijs ze toestaat. Bewijzen voor de meerderheid zijn de hadith «Wat Allah toestond is toegestaan, wat Hij verbood is verboden, en waarover Hij zweeg is vergeven; aanvaard dus Allahs gunst, want Allah vergeet niets» (al-Bazzār, aṭ-Ṭabarānī en al-Bayhaqī), en het vers uit al-Anʿām: ﴿Zeg: ik vind in wat mij geopenbaard is niets wat verboden is voor wie het eet, behalve dood vlees, vergoten bloed of varkensvlees, want dat is onrein, of een zondige slachting opgedragen aan een ander dan Allah﴾.
"Zij die het verbond van Allah verbreken nadat het bekrachtigd was" (vers 27)
Een verbond (ʿahd) is tweeërlei. Het ene heeft boetedoening: een ʿahd bedoeld als eed om iets te laten of te doen. Het andere niet: een contract waarmee twee partijen zich op een door de sharīʿa toegestane manier binden. Dat mag niet ontbonden of verbroken worden en er bestaat geen boetedoening voor; wie het breekt wordt als verrader opgewekt en voor hem wordt een vaandel opgericht "naar de maat van zijn verraad". Mālik zegt (letterlijk weergegeven): "het verbond met een eed: het ontbinden ervan is niet verboden vanwege het contract"; en dat is bedoeld met ﴿En verbreek de eden niet nadat jullie ze bekrachtigd hebben, terwijl jullie Allah tot borg over jullie gesteld hebben﴾. In de kantlijn: met "eden" in dit vers zijn de eden binnen verbonden en overeenkomsten bedoeld, niet de eden om aan te sporen of te beletten. De geleerden stellen vast dat wie een verbond met Allah sluit en het verbreekt, een grote zonde begaat.
Verbonden en contracten bij Ibn Taymiyya en Ibn ʿAbd al-Barr
Contracten zijn verbonden: vastlegging en verplichting. Shaykh al-Islām Ibn Taymiyya stelt dat ze soms eed én gelofte zijn en soms alleen eed. In al-Fatāwā: verbonden en contracten liggen dicht bij elkaar of betekenen hetzelfde. Zegt iemand: "Ik beloof Allah dat ik dit jaar de ḥajj doe", dan is dat gelofte, verbond en eed; zegt hij: "Ik spreek niet met Zayd", dan is het eed en verbond, geen gelofte. Ibn ʿAbd al-Barr in al-Kāfī: in dit hoofdstuk geldt eerst wat de zweerder bedoelde; had hij geen intentie, dan kijkt men naar de achtergrond (bisāṭ) van zijn verhaal, de aanleiding van de eed, en daarna oordeelt men naar wat bij de mensen van zijn tijd het meest gangbaar is.
Nuttig punt: de gelofte en haar boetedoening
Wie een gelofte doet die hij kan nakomen, moet die nakomen en kan er niet onderuit; daarom verbood de Profeet ﷺ het doen van geloftes. Kan hij haar blijvend niet nakomen, dan geldt wat de Profeet ﷺ zei: «De boetedoening voor een gelofte is de boetedoening voor een eed.» In de uitleg: wellicht valt daaronder ook wie een gelofte deed die hem zeer zwaar valt, zoals voortdurende lichamelijke aanbidding of buitensporige uitgaven; ook hem laten we de boetedoening van een eed betalen om ervan af te komen. Is de gelofte in de vorm van een eed, om zichzelf of een ander iets te beletten of aan te sporen, zoals "als ik met Zayd spreek, moet ik voor Allah de ḥajj doen, of mijn geld weggeven, of een jaar vasten", dan is het een eed: hij mag kiezen tussen nakomen, of breken en de boetedoening voor een eed betalen (al-Mughnī).
Kernpunten
De drie delen van de Koran
- Tawḥīd: de Schepper kennen in Zijn namen, eigenschappen en daden
- Vermaning: belofte en dreiging, Paradijs en Hel, zuivering van uiterlijk en innerlijk
- Aḥkām: alle plichten, nut en schade, gebod, verbod en aanbeveling
Mālikitische meningen over recitatie achter de imam
- Ibn al-Qāsim: alleen als de imam stil reciteert
- Ibn Wahb en Ashhab: niet reciteren
- Ibn ʿAbd al-Ḥakam: reciteren, maar nalaten is geldig (aanbevolen)
- Ibn al-ʿArabī: verplicht in stil gebed, verboden in hardop gebed als hij hoort
Bewijzen om niet te reciteren in het hardop gebed
- Het algemene gebod om te reciteren is beperkt door de plicht te zwijgen in het hardop gebed
- De consensus van de mensen van Medina (de steun van Mālik)
- Abū Mūsā bij Muslim: «en als hij reciteert, zwijg dan»
- Ibn Taymiyya: de imam hoeft niet te zwijgen voor de volgeling, en tegelijk reciteren is verboden
Algemeen en specifiek in deze kwestie
- Algemeen: «geen gebed voor wie al-Fātiḥa niet reciteert»
- Specifiek: «als hij reciteert, zwijg dan»
- Regel: de specifieke tekst gaat voor
- Ibn ʿUthaymīn: «zwijg dan» is algemeen en beperkt door het algemene «geen gebed...»
Stappen bij tegenstrijdige bewijzen
- Verenigen als het kan; dat is het beste
- Eerder en later: het latere beperkt of heft op
- Lukken verenigen en afwegen niet: datum bekijken en opheffing toepassen
- Anders opschorten of een ander bewijs zoeken
Bewijzen voor hardop āmīn zeggen
- «Als de imam āmīn zegt, zeg dan āmīn»: Ibn Rushd: een duidelijke tekst over het āmīn van de imam
- Ash-Shāfiʿī: wie achter hem staan weten alleen wanneer hij het zegt als ze het horen
- Bij al-Bukhārī: «tot de moskee galmde van het āmīn van de mensen»
Wat betekent "als de imam āmīn zegt"?
- Het voegwoord fa: de volgeling zegt het na de imam (volgorde met directe opvolging)
- Abū Hurayra: «als de imam zegt ﴿noch van de dwalenden﴾, zeg dan āmīn»
- Dus: als hij de plaats van het āmīn bereikt, zeg dan āmīn
- De hadith legt zichzelf uit (Ibn ʿUthaymīn)
Gunst of overpeinzing in vers 29
- Wie er toestemming uit afleidt: het vers somt gunsten op
- Ibn al-ʿArabī: het gaat om aanwijzing en overpeinzing, niet om gebruik
- Zijn bewijs is de context: leven geven, doen sterven, scheppen, zich tot de hemel wenden
- Dus geen verbod, geen toestemming en geen opschorting
Bewijzen dat dingen in principe toegestaan zijn
- «en waarover Hij zweeg is vergeven... want Allah vergeet niets» (al-Bazzār, aṭ-Ṭabarānī, al-Bayhaqī)
- ﴿Zeg: ik vind in wat mij geopenbaard is niets verbodens voor wie het eet...﴾ (al-Anʿām)
De twee soorten verbond
- Een ʿahd bedoeld als eed om te laten of te doen: met boetedoening
- Een geoorloofd contract tussen twee partijen: niet te verbreken, geen boetedoening
- Wie het tweede breekt wordt als verrader opgewekt, met een vaandel "naar de maat van zijn verraad"
Verbond, gelofte en eed bij Ibn Taymiyya
- "Ik beloof Allah dat ik dit jaar de ḥajj doe": gelofte, verbond en eed
- "Ik spreek niet met Zayd": eed en verbond, geen gelofte
- Gelofte: zich tot een daad van aanbidding voor Allah verplichten, die men moet nakomen
Waarnaar wordt de zweerder beoordeeld? (Ibn ʿAbd al-Barr)
- Wat de zweerder bedoelde
- Had hij geen intentie: de achtergrond, de aanleiding van de eed
- Daarna wat bij de mensen van zijn tijd het meest gangbaar is
Situaties van wie een gelofte deed
- Kan hij het: hij moet het nakomen
- Kan hij het blijvend niet: «de boetedoening voor een gelofte is die voor een eed»
- Valt het hem zeer zwaar: wellicht gelijk aan wie het niet kan, dus boetedoening (de uitleg)
- In de vorm van een eed: kiezen tussen nakomen en boetedoening (al-Mughnī)
Het voegwoord fa
- Fa is een voegwoord dat volgorde met directe opvolging aangeeft
- Daarom begreep men uit «zeg dan āmīn» dat de volgeling het na de imam zegt
خبايا الزوايا
Khabāyā az-zawāyā: wat in de hoeken verborgen zit. Fijne punten, uitzonderingen en subtiele onderscheiden uit de les zelf, die je bij snel lezen mist.
Wie ver van de imam staat in het hardop gebed
Het verbod hangt bij Ibn al-ʿArabī af van het horen: hoort de volgeling de imam niet, dan reciteert hij; wie ver weg staat bevindt zich als in een stil gebed, dus is het voor hem verplicht.
"Alsof hij het aanbevolen vond"
Ibn ʿAbd al-Ḥakam zei: hij reciteert, en laat hij het na dan is het gebed geldig. Uit dat "geldig bij nalaten" leidt Ibn al-ʿArabī af dat hij het aanbevolen vond, niet verplicht; Ibn ʿAbd al-Ḥakam zei dat niet zelf.
Algemeen tegen algemeen, niet specifiek tegen algemeen
De ene kant ziet «als hij reciteert, zwijg dan» als specifiek, dus voorgaand; Ibn ʿUthaymīn ziet het als algemeen (voor al-Fātiḥa en de rest), beperkt door het algemene «geen gebed zonder al-Fātiḥa». Zo worden het twee algemene teksten, en daarom zijn de stappen bij tegenstrijdigheid nodig.
De waarde van de aangehaalde hadith
De hadith waarmee Ibn ʿUthaymīn zijn mening versterkt («doe dat niet, behalve met al-Fātiḥa») staat bij Aḥmad, al-Albānī noemde hem zwak en Ibn Maʿīn bekritiseerde een overleveraar; de hadith van Abū Mūsā («en als hij reciteert, zwijg dan») staat daarentegen bij Muslim en geldt in de notities als een van de sterkste bewijzen.
Galm ontstaat alleen bij luide stemmen
Het bericht bij al-Bukhārī «tot de moskee galmde van het āmīn van de mensen» bewijst het hardop zeggen, want lajja is veel stemmen door elkaar, wat alleen gebeurt als de stemmen luid zijn.
Fa: volgorde of uitleg?
Op het eerste gezicht zegt de volgeling āmīn na de imam, omdat fa volgorde met opvolging aangeeft; maar de overlevering «als de imam zegt ﴿noch van de dwalenden﴾, zeg dan āmīn» laat zien dat het bereiken van die plaats bedoeld is.
De context bepaalt de betekenis van "voor jullie"
Ibn al-ʿArabī leest "voor jullie" niet als "om te gebruiken" maar als "om over na te denken", op grond van de tekens ervoor en erna; voor hem staat het vers in de context van tawḥīd en opwekking, niet van regelgeving.
Een verbond kan eed en gelofte tegelijk zijn
Bij Ibn Taymiyya is "ik beloof Allah dat ik dit jaar de ḥajj doe" gelofte, verbond en eed, omdat hij zich tot aanbidding verplicht; "ik spreek niet met Zayd" is alleen eed en verbond, omdat er geen aanbidding in zit.
Waarom is de gelofte afgeraden?
Omdat wie een gelofte doet die hij kan nakomen, die moet nakomen en er niet meer onderuit kan.
Begrippen
التوحيد
at-tawḥīd
De Schepper kennen in Zijn namen, eigenschappen en daden.
Een van de drie delen van de Koran.
التذكير
at-tadhkīr
Vermaning: belofte en dreiging, Paradijs en Hel, en het zuiveren van uiterlijk en innerlijk.
الأحكام
al-aḥkām
Regelgeving: alle opgelegde plichten, uitleg van nut en schade, gebod, verbod en aanbeveling.
التفسير الفقهي
at-tafsīr al-fiqhī
Uitleg van de verzen met fiqh-regels die de belangen van de mensen betreffen; geleerden van verschillende scholen schreven erover.
المأموم
al-maʾmūm
Wie achter de imam bidt (de volgeling).
صلاة السر وصلاة الجهر
ṣalāt as-sirr wa-ṣalāt al-jahr
Gebeden waarin de imam stil reciteert, en gebeden waarin hij hardop reciteert.
الإنصات
al-inṣāt
Zwijgen om naar de recitatie van de imam te luisteren; volgens Ibn al-ʿArabī verplicht voor de volgeling in het hardop gebed.
العام
al-ʿāmm
Het algemene; voorbeeld hier: "geen gebed voor wie al-Fātiḥa niet reciteert".
الخاص
al-khāṣṣ
Het specifieke; voorbeeld hier: "als hij reciteert, zwijg dan". Het gaat voor op het algemene.
التخصيص
at-takhṣīṣ
Een deel van het algemene buiten de regel plaatsen, zoals het hardop gebed buiten het algemene gebod om al-Fātiḥa te reciteren valt door de plicht te zwijgen.
العام المحفوظ
al-ʿāmm al-maḥfūẓ
Een algemene tekst waarop geen uitzondering is gemaakt.
In de kantlijn: het is beter te kijken naar de algemene tekst waarop geen uitzondering is gemaakt.
النسخ
an-naskh
Opheffing: het latere bewijs heft het eerdere op; men neemt dat aan als verenigen en afwegen niet lukken en de volgorde in de tijd bekend is.
التأمين
at-taʾmīn
Āmīn zeggen na al-Fātiḥa.
اللَّجّة
al-lajja
Veel stemmen door elkaar; dat ontstaat alleen als de stemmen luid zijn.
الحظر
al-ḥaẓr
Verbod; de eerste mening is dat alle dingen verboden zijn tot een bewijs ze toestaat.
الإباحة
al-ibāḥa
Toestemming; de tweede mening is dat alle dingen toegestaan zijn tot een bewijs ze verbiedt.
التوقف
at-tawaqquf
Opschorting: dingen hebben geen oordeel tot een bewijs komt met welk oordeel dan ook.
معرض الامتنان
maʿriḍ al-imtinān
De context van het opsommen van gunsten (in de kantlijn: begunstiging); daaruit leidt men af dat dingen in principe toegestaan en rein zijn.
الدلالة والاعتبار
ad-dalāla wa-l-iʿtibār
Aanwijzing en overpeinzing: volgens Ibn al-ʿArabī is dat de betekenis van "Hij schiep voor jullie", niet het gebruik ervan.
العهد
al-ʿahd
Verbond; tweeërlei: met boetedoening (bedoeld als eed) en zonder (een geoorloofd contract tussen twee partijen).
Contracten zijn verbonden: een vastlegging en verplichting.
النذر
an-nadhr
Gelofte: zich tegenover Allah tot een daad van aanbidding verplichten, die men dan moet nakomen.
الكفارة
al-kaffāra
Boetedoening voor een eed; die geldt bij een ʿahd bedoeld als eed en bij een gelofte die men niet kan nakomen.
بساط اليمين
bisāṭ al-yamīn
De aanleiding en achtergrond van de eed; men kijkt daarnaar als de zweerder geen intentie had.
النذر الخارج مخرج اليمين
an-nadhr al-khārij makhraj al-yamīn
Een gelofte in de vorm van een eed: om zichzelf of een ander iets te beletten of aan te sporen, zoals: "Als ik met Zayd spreek, moet ik voor Allah de ḥajj doen."
Hij mag kiezen tussen nakomen, of breken en de boetedoening voor een eed betalen (al-Mughnī).
Regels (qawāʿid)
De uṣūl-regels (qawāʿid) en vuistregels uit dit hoofdstuk, kort geformuleerd om te onthouden.
-
De specifieke tekst gaat voor op de algemene
النص الخاص مقدَّم على العام
Gebruikt door wie recitatie in het hardop gebed achter de imam afwijst.
Voorbeeld: «Als hij reciteert, zwijg dan» gaat voor op «geen gebed voor wie al-Fātiḥa niet reciteert».
-
Het algemene blijft algemeen waar geen uitzondering is
العام يبقى على عمومه فيما لم يُخص
Het gebod om al-Fātiḥa te reciteren is algemeen; het hardop gebed is uitgezonderd door de plicht te zwijgen, voor de rest blijft het gelden.
Voorbeeld: In het stille gebed is al-Fātiḥa verplicht voor de volgeling.
-
Kunnen twee bewijzen verenigd worden, dan is dat het beste
إن أمكن الجمع بين الدليلين فهو الأولى
Daarna eerder en later, dan opheffing volgens de datum, dan opschorten.
-
De hadith legt zichzelf uit
الحديث يفسّر بعضه بعضاً
Ibn ʿUthaymīn, bij het verenigen van de twee overleveringen over het āmīn.
Voorbeeld: "Als hij āmīn zegt" wordt uitgelegd door "als hij zegt ﴿noch van de dwalenden﴾".
-
Dingen zijn toegestaan tot een bewijs ze verbiedt
الأصل في الأشياء الإباحة حتى يدل الدليل على التحريم
Volgens de meerderheid; bij Abū Ḥanīfa andersom.
Voorbeeld: «En waarover Hij zweeg is vergeven».
-
Dingen zijn in principe rein
الأصل في الأشياء الطهارة
Genoemd samen met toestemming, met als bewijs dat vers 29 gunsten opsomt.
-
Bij eden geldt eerst de intentie, dan de aanleiding, dan wat bij de mensen van zijn tijd het meest gangbaar is
الأصل في الأيمان مراعاة نية الحالف، ثم بساط قصته، ثم الأغلب في نفوس أهل وقته
Ibn ʿAbd al-Barr in al-Kāfī.
-
Een gelofte in de vorm van een eed geldt als eed
النذر الخارج مخرج اليمين حكمه حكم اليمين
Hij kiest tussen nakomen en de boetedoening van een eed (al-Mughnī).
Voorbeeld: "Als ik met Zayd spreek, moet ik voor Allah een jaar vasten."
Meningsverschillen
Kwesties waarover de geleerden verschillen, met de standpunten en wat de auteur of de toelichting de voorkeur geeft.
Reciteert de volgeling al-Fātiḥa achter de imam?
- Ibn al-Qāsim: alleen als de imam stil reciteert
- Ibn Wahb en Ashhab: hij reciteert niet
- Muḥammad ibn ʿAbd al-Ḥakam: hij reciteert, maar nalaten is geldig
- Ibn al-ʿArabī: verplicht in het stille gebed, verboden in het hardop gebed als hij hoort
- Ibn ʿUthaymīn: «zwijg dan» is beperkt door «geen gebed zonder al-Fātiḥa»
Voorkeur: Ibn al-ʿArabī maakt onderscheid tussen stil en hardop; volgens de notities is de hadith van Abū Mūsā een van de sterkste bewijzen, gaat het specifieke voor, en is de hadith van Ibn ʿUthaymīn zwak.
Gevolg van het verschil: Wie de imam hoort in het hardop gebed reciteert volgens Ibn al-ʿArabī niet, volgens Ibn ʿUthaymīn wel.
Zegt de imam āmīn?
- Mālik: "als hij āmīn zegt" betekent "als hij de plaats ervan bereikt"
- Ibn Ḥabīb: hij zegt āmīn
- Ibn al-ʿArabī: hij zegt het hardop
Voorkeur: De imam zegt het hardop: Ibn Rushd noemt de hadith een duidelijke tekst, en ash-Shāfiʿī zegt dat de mensen anders niet weten wanneer hij het zegt.
Zegt de volgeling āmīn hardop?
- Ash-Shāfiʿī: hardop
- Abū Ḥanīfa en Ibn Ḥabīb: stil
Voorkeur: Daarna wordt het bericht bij al-Bukhārī genoemd: «tot de moskee galmde van het āmīn van de mensen»; zo galmen kan alleen met luide stemmen.
Wat geldt voor dingen zolang er geen bewijs is?
- Verbod tot een bewijs ze toestaat (Abū Ḥanīfa)
- Toestemming tot een bewijs ze verbiedt (de meerderheid)
- Opschorting: geen oordeel tot er een bewijs komt
Voorkeur: Volgens de meerderheid toestemming, op grond van «waarover Hij zweeg is vergeven» en het vers uit al-Anʿām. Volgens Ibn al-ʿArabī bewijst vers 29 geen van de drie meningen.
Gevolg van het verschil: Het verschil blijkt bij alles waarover de sharīʿa zwijgt.
Bewijst vers 29 dat dingen toegestaan zijn?
- Ja, want het somt gunsten op; dingen zijn dus toegestaan en rein
- Ibn al-ʿArabī: nee, het gaat om aanwijzing en overpeinzing, niet om gebruik
Voorkeur: De notities kiezen niet uitdrukkelijk tussen deze twee lezingen van het vers; ze stellen wel dat dingen volgens de meerderheid toegestaan zijn, op grond van andere bewijzen.
Koranverzen
De Koranverzen die in dit hoofdstuk als bewijs of voorbeeld worden aangehaald, en waarvoor.
﴿غير المغضوب عليهم ولا الضالين﴾
De plaats van het āmīn in de hadith van Abū Hurayra.
﴿هو الذي خلق لكم ما في الأرض جميعاً ثم استوى إلى السماء فسوّاهن سبع سماوات وهو بكل شيء عليم﴾
Al-Baqara 29: drie meningen over de grondregel voor dingen; volgens Ibn al-ʿArabī dient het tot aanwijzing en overpeinzing.
﴿كيف تكفرون بالله وكنتم أمواتاً فأحياكم ثم يميتكم ثم يحييكم ثم إليه ترجعون﴾
De context waarop Ibn al-ʿArabī zich beroept: de tekens van leven geven en doen sterven.
﴿قل لا أجد في ما أوحي إليّ محرّماً على طاعم يطعمه إلا أن يكون ميتة أو دماً مسفوحاً أو لحم خنزير فإنه رجس أو فسقاً أُهلّ لغير الله به﴾
Al-Anʿām: een bewijs dat dingen in principe toegestaan zijn.
﴿الذين ينقضون عهد الله من بعد ميثاقه﴾
Al-Baqara 27: over het verbreken van het verbond en de soorten verbond.
﴿ولا تنقضوا الأيمان بعد توكيدها وقد جعلتم الله عليكم كفيلاً﴾
Volgens Mālik is dit bedoeld bij het met een eed bekrachtigde verbond; de eden hier zijn die binnen verbonden en overeenkomsten.
Hadith
De hadith die in dit hoofdstuk genoemd worden, zoals in de notities.
-
Overgeleverd door Abū Mūsā al-Ashʿarī
«... فإذا كبّر فكبّروا، وإذا قرأ فأنصتوا»
"... Als hij de takbīr zegt, zeg dan de takbīr, en als hij reciteert, zwijg dan."
Bron: Muslim
Een van de sterkste bewijzen om in het hardop gebed niet achter de imam te reciteren; de specifieke tekst die voorgaat op de algemene.
-
«لا صلاة لمن لم يقرأ بفاتحة الكتاب»
"Er is geen gebed voor wie al-Fātiḥa niet reciteert."
De algemene tekst in deze kwestie.
-
«لا تفعلوا إلا بفاتحة الكتاب»
"Doe dat niet, behalve met al-Fātiḥa."
Bron: Aḥmad; al-Albānī noemde hem zwak, en Ibn Maʿīn zei over een van de overleveraars: geen bewijs
Gezegd toen de recitatie hem zwaar viel omdat sommigen achter hem reciteerden. Aangehaald door Ibn ʿUthaymīn.
-
«إذا أمّن الإمام فأمّنوا»
"Als de imam āmīn zegt, zeg dan āmīn."
Mālik: als hij de plaats van het āmīn bereikt; Ibn Rushd: een duidelijke tekst over het āmīn van de imam.
-
Overgeleverd door Abū Hurayra
«إذا قال الإمام: ﴿غير المغضوب عليهم ولا الضالين﴾ فقولوا: آمين، فإنه من وافق قولُه قولَ الملائكة غُفر له ما تقدم من ذنبه»
"Als de imam zegt: ﴿niet van hen op wie toorn rust, noch van de dwalenden﴾, zeg dan: āmīn; want wiens woord samenvalt met het woord van de engelen, diens vroegere zonden worden vergeven."
Bron: al-Bukhārī
Laat zien dat "als hij āmīn zegt" betekent: als hij de plaats van het āmīn bereikt.
-
«ما أحلّ الله فهو حلال، وما حرّم فهو حرام، وما سكت عنه فهو عفو، فاقبلوا من الله عافيته، فإن الله لم يكن لينسى شيئاً»
"Wat Allah toestond is toegestaan, wat Hij verbood is verboden, en waarover Hij zweeg is vergeven; aanvaard dus Allahs gunst, want Allah vergeet niets."
Bron: al-Bazzār, aṭ-Ṭabarānī en al-Bayhaqī
Een bewijs dat dingen in principe toegestaan zijn.
-
«كفارة النذر كفارة اليمين»
"De boetedoening voor een gelofte is de boetedoening voor een eed."
Over wie zijn gelofte blijvend niet kan nakomen.
Personen
De personen die in dit hoofdstuk genoemd worden, en waarom.
Genoemd in de tekst
-
al-Imām Mālik
الإمام مالك
Geleerde · gest. 179 AH
Steunt bij het niet reciteren in het hardop gebed op de consensus van Medina, legt "als de imam āmīn zegt" uit als het bereiken van die plaats, en sprak over het met een eed bekrachtigde verbond.
-
Ashhab
أشهب
Geleerde · gest. 204 AH
Zei met Ibn Wahb: de volgeling reciteert niet. Egyptische Mālikitische faqīh, leerling van Mālik.
-
Ibn Taymiyya
ابن تيمية
Geleerde · gest. 728 AH
Betoogde dat recitatie in het hardop gebed niet verplicht is omdat de imam niet hoeft te zwijgen; legde uit dat verbonden en contracten dicht bij elkaar liggen en eed en gelofte of alleen eed kunnen zijn.
-
al-Imām Muslim
الإمام مسلم
Geleerde · gest. 261 AH
Overleverde de hadith van Abū Mūsā: «en als hij reciteert, zwijg dan».
-
al-Imām Aḥmad ibn Ḥanbal
الإمام أحمد بن حنبل
Geleerde · gest. 241 AH
Overleverde de hadith «doe dat niet, behalve met al-Fātiḥa».
-
al-Imām ash-Shāfiʿī
الإمام الشافعي
Geleerde · gest. 204 AH
Zei: de volgeling zegt āmīn hardop, en "als de imam āmīn zegt" wijst erop dat de imam het hardop zegt.
-
al-Imām Abū Ḥanīfa
الإمام أبو حنيفة
Geleerde · gest. 150 AH
Zei met Ibn Ḥabīb: de volgeling zegt āmīn stil; voor hem zijn dingen verboden tot een bewijs ze toestaat.
-
al-Imām al-Bukhārī
الإمام البخاري
Geleerde · gest. 256 AH
Overleverde de hadith van Abū Hurayra over het āmīn, en bij hem staat: «tot de moskee galmde van het āmīn van de mensen».
-
ʿAbd Allāh ibn ʿUmar
عبد الله بن عمر
Metgezel · gest. 73 AH
Bleef acht jaar bezig al-Baqara te leren om haar rijke fiqh.
Herhaling
Het belangrijkste vlak voor een toets
- Wat zijn volgens de salaf de drie delen van de Koran?
- Wie was Ibn al-ʿArabī, waar was hij rechter, wanneer overleed hij en waar ligt hij begraven?
- Noem de drie Mālikitische meningen over al-Fātiḥa achter de imam en wie ze zeiden.
- Wat kiest Ibn al-ʿArabī, en wat geldt voor wie ver staat en niets hoort?
- Waarop steunt Mālik om in het hardop gebed niet te reciteren?
- Leg het argument van Ibn Taymiyya uit.
- Hoe weerlegde Ibn ʿUthaymīn het argument van het specifieke, en hoe sterk is zijn hadith?
- Zet de stappen bij tegenstrijdige bewijzen op volgorde.
- Werk de regel van het āmīn uit voor wie alleen bidt, de volgeling en de imam.
- Wanneer zegt de volgeling āmīn, en hoe worden de overleveringen verenigd?
- Wat zijn de drie meningen bij vers 29, en hoe weerlegde Ibn al-ʿArabī ze?
- Wat is de grondregel voor dingen bij de meerderheid en bij Abū Ḥanīfa, en wat is het bewijs?
- Wat zijn de twee soorten verbond, en welke kent boetedoening?
- Wanneer is een verbond gelofte en eed, en wanneer alleen eed, volgens Ibn Taymiyya?
- Welke situaties van de gelofte zijn er, en wat geldt in elk ervan?
Flitskaarten
Mijn favorieten
Tik op het sterretje bij een kaart om hem hier te bewaren.
Veelgemaakte fouten
Fouten die studenten bij dit hoofdstuk vaak maken, met wat juist is.
✗ Niet zo: Denken dat Ibn al-ʿArabī de volgeling altijd verbiedt te reciteren
✓ Wel zo: Hij maakt haar verplicht in het stille gebed en verbiedt haar in het hardop gebed alleen als hij de imam hoort; wie niet hoort of ver staat, reciteert.
✗ Niet zo: Ibn ʿAbd al-Ḥakam laten zeggen dat het verplicht is
✓ Wel zo: Hij zei: laat hij het na, dan is het geldig; daarom zei Ibn al-ʿArabī: hij vond het blijkbaar aanbevolen.
✗ Niet zo: Denken dat er ook verschil is over wie alleen bidt
✓ Wel zo: Wie alleen bidt zegt āmīn, daarover is men het eens; het verschil gaat over de imam en over hardop zeggen door de volgeling.
✗ Niet zo: Āmīn pas na de imam zeggen omdat fa volgorde aangeeft
✓ Wel zo: De overlevering bij al-Bukhārī «als de imam zegt ﴿noch van de dwalenden﴾, zeg dan āmīn» laat zien dat het bereiken van die plaats bedoeld is.
✗ Niet zo: Ibn al-ʿArabī laten afleiden uit vers 29 dat dingen toegestaan zijn
✓ Wel zo: Hij wees dat juist af: het vers houdt verbod noch toestemming noch opschorting in en dient als aanwijzing voor Zijn eenheid.
✗ Niet zo: Denken dat elk verbond met boetedoening af te kopen is
✓ Wel zo: Een geoorloofd contract tussen twee partijen mag niet verbroken worden en kent geen boetedoening; boetedoening geldt alleen voor een ʿahd bedoeld als eed.
✗ Niet zo: Denken dat elke gelofte met de boetedoening van een eed afgekocht kan worden
✓ Wel zo: Wie zijn gelofte kan nakomen, moet dat doen; de boetedoening is voor wie het blijvend niet kan, en wie een gelofte in de vorm van een eed deed mag kiezen.
Test jezelf
Wat zijn volgens de salaf de drie delen van de Koran?
Waar was Ibn al-ʿArabī rechter?
Wanneer overleed Ibn al-ʿArabī?
Welke Mālikiet zei: de volgeling reciteert alleen als de imam stil reciteert?
Ibn Wahb en Ashhab zeiden: de volgeling reciteert al-Fātiḥa niet achter de imam.
Wat is volgens Ibn al-ʿArabī juist over de recitatie van de volgeling?
Volgens Ibn al-ʿArabī mag wie in het hardop gebed zo ver staat dat hij de imam niet hoort, niet reciteren.
Waarop steunt Mālik vooral om in het hardop gebed niet te reciteren?
Voor wie het als bewijs gebruikt, is «als hij reciteert, zwijg dan»:
Al-Albānī noemde de hadith «doe dat niet, behalve met al-Fātiḥa» authentiek.
Wat doet men eerst als twee bewijzen tegenstrijdig lijken?
Wie alleen bidt, zegt āmīn; daarover is men het eens.
Wie zei: de volgeling zegt āmīn stil?
Wat betekent lajja in het bericht bij al-Bukhārī?
Wanneer zegt de volgeling āmīn als men de overleveringen verenigt?
Hoeveel jaar was ʿAbdullāh ibn ʿUmar bezig al-Baqara te leren?
Ibn al-ʿArabī vindt dat vers 29 bewijst dat dingen in principe toegestaan zijn.
Hij zei: het vers houdt verbod noch toestemming noch opschorting in; het dient tot aanwijzing en overpeinzing.
Onderdeel 3p. 4Wat is volgens de notities de grondregel voor dingen bij Abū Ḥanīfa?
Welk verbond kent geen boetedoening?
"Ik beloof Allah dat ik dit jaar de ḥajj doe" is volgens Ibn Taymiyya:
Waarnaar kijkt men volgens Ibn ʿAbd al-Barr als de zweerder geen intentie had?
Wie een gelofte doet die hij kan nakomen, mag kiezen tussen nakomen en de boetedoening van een eed.
Wie het kan moet het nakomen; kiezen mag bij een gelofte in de vorm van een eed, en boetedoening is voor wie het niet kan.
Onderdeel 4p. 6"Als ik met Zayd spreek, moet ik voor Allah een jaar vasten." Wat geldt volgens al-Mughnī?
Originele tekst
Deze pagina bundelt de onderdelen van dit hoofdstuk. De tekst van elk onderdeel zoals in de notities:
- Onderdeel 1 مقدمة
- Onderdeel 2 الفاتحة
Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 1–3
- Onderdeel 3 البقرة: مسألة: ﴿هو الذي خلق لكم ما في الأرض جميعاً﴾ آية 29
Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 4
- Onderdeel 4 الآية 27: ﴿الذين ينقضون عهد الله من بعد ميثاقه﴾ الآية 27
Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 5
Het hele hoofdstuk in de notities: Notities bij Aḥkām al-Qurʾān (Ibn al-ʿArabī) · p. 1–6 p. 1
Dit is een studiehulp; de notities zelf blijven de bron.