Eenheid 2: De koe, magie, de qibla op reis en de Maqām Ibrāhīm#
Overzicht
Eenheid 2 · 4 onderdelen
De koe, magie, de qibla op reis en de Maqām Ibrāhīm
Berichten van de Banū Isrāʾīl en de wet van vroegere profeten, de twee engelen en magie, de ongelovige in de moskee, het aangezicht van Allah en de twee rakʿa's na de ṭawāf
Bij al-Baqara 67 (de koe) gaat het over de hadith "vertel over de Banū Isrāʾīl, er is geen bezwaar" en welke berichten van hen aanvaard worden, daarna over de vraag of de wet van eerdere profeten voor ons geldt: vijf meningen, Ibn al-ʿArabī kiest de eerste, de notities vinden de vijfde sterker. Bij vers 102 het probleem hoe magie op de twee engelen kon neerdalen, de afwijkende lezing "twee koningen" en de verklaringen van Ibn ʿAṭiyya. Bij vers 114 de regel over een ongelovige in de moskee volgens Ḥanafieten, Mālikieten en Shāfiʿieten, en de sterkste mening. Bij vers 115 Ibn al-ʿArabī die "het aangezicht van Allah" overdrachtelijk uitlegt, tegenover de salaf die het als eigenschap bevestigen, met al-Bayhaqī, al-Khaṭṭābī, Ibn Khuzayma, Ibn Taymiyya en Ibn Rushd (de grootvader). Tot slot vers 125: de Maqām Ibrāhīm, het moment van de twee rakʿa's na de ṭawāf en het verschil over hun verplichting.
Bron: Notities bij Aḥkām al-Qurʾān (Ibn al-ʿArabī) · p. 7–13
De eenheid in één kaart
Van bladzijde 7 tot 13.
Vers 67: de koep. 7–9
- vertel over de Banū Isrāʾīl
- de wet van vroegere profeten: vijf meningen
- de woorden van al-Juwaynī
Vers 102: de duivels en magiep. 9
- het probleem van de twee engelen
- de lezing "twee koningen" is afwijkend
- de verklaringen van Ibn ʿAṭiyya
Vers 114: alleen in vreesp. 10
- Ḥanafieten
- Mālikieten
- Shāfiʿieten
- de sterkste mening
Vers 115: het aangezicht van Allahp. 11–13
- de uitleg van Ibn al-ʿArabī
- de meningen bij al-Qurṭubī
- de salaf: een vaststaande eigenschap
Vers 125: de Maqām Ibrāhīmp. 13
- de twee rakʿa's na de ṭawāf
- verplicht of sunna?
Het hoofdstuk in één oogopslag
"Vertel over de Banū Isrāʾīl, er is geen bezwaar" betekent: vertellen wat zij over zichzelf en hun geschiedenis berichten, niet wat zij over anderen berichten.
Want berichten over anderen vereisen betrouwbaarheid en een vaststaande keten tot de bron; wat zij over zichzelf zeggen is als een bekentenis over zichzelf of hun volk.
Onderdeel 5p. 7Als zij een wetsregel berichten, hoeft die niet aanvaard te worden, tenzij hij in onze Koran of Sunna bevestigd is; dan valt hij onder "de wet van wie vóór ons waren".
Over de wet van eerdere profeten zijn er vijf meningen. Ibn al-ʿArabī kiest dat zij voor ons geldt voor zover onze Profeet ﷺ erover berichtte; de notities vinden de vijfde mening sterker: wij zijn aan niemands wet gebonden.
Vanwege de bewijzen, de consensus dat de sharīʿa van Muḥammad ﷺ de eerdere opheft, en omdat zij volledig is en past bij elke tijd en plaats.
Onderdeel 5p. 8Niets wat over de twee engelen overgeleverd is heeft een authentieke keten; de lezing "al-malikayn" (twee koningen) is afwijkend en hoort niet bij de tien lezingen.
Juist is dat het twee engelen waren die Allah als beproeving en test naar de aarde zond, en die de mensen op Allahs bevel magie leerden.
De sterkste mening: een ongelovige mag elke moskee betreden behalve al-Masjid al-Ḥarām, als dat nodig is of een belang dient, zoals hem tot de islam uitnodigen.
Op grond van Thumāma ibn Uthāl, die aan een pilaar van de moskee werd vastgebonden, en de uitspraak op de dag van de verovering: «wie de Kaʿba binnengaat is veilig».
Onderdeel 6p. 10De salaf houden het aangezicht voor een vaststaande eigenschap van Allah die de openbaring noemt en die aanvaard wordt; de leer van de overdrachtelijke uitleg (taʾwīl) is ongeldig.
De twee rakʿa's bij de Maqām komen na de ṭawāf, want toen de Profeet ﷺ zijn ṭawāf beëindigde, liep hij naar de Maqām en bad daar twee rakʿa's (Muslim).
Ibn al-ʿArabī noemt ze verplicht (wie ze nalaat moet een offer brengen); de meerderheid, wier mening juister is, zegt dat ze niet verplicht zijn.
Onderdeel 8p. 13
Onderdelen van dit hoofdstuk
- Onderdeel 5 · p. 7 الآية الرابعة عشرة: ﴿إن الله يأمركم أن تذبحوا بقرة﴾
- Onderdeel 6 · p. 9 الآية 102 قوله تعالى: ﴿واتبعوا ما تتلو الشياطين على ملك سليمان﴾ الآية 102
- Onderdeel 7 · p. 11 المسألة الثامنة عشرة قوله تعالى: ﴿ولله المشرق والمغرب﴾ الآية 115
- Onderdeel 8 · p. 13 ﴿واتخذوا من مقام إبراهيم مصلّى﴾ (البقرة: 125)
Jaartallen tussen haakjes na al-Bayhaqī, al-Khaṭṭābī, Ibn Khuzayma en Ibn Rushd de grootvader zijn weggelaten, omdat de notities niet zeggen of het geboorte- of sterfjaren zijn. De weerlegging van de Mālikieten met Thumāma (p. 10) volgt op een citaat van an-Nawawī met "en hij zei", dus lijkt van hem te zijn, maar de stijl ("wij zeggen...") maakt dat onzeker; ze wordt aan niemand toegeschreven. Welke al-Juwaynī bedoeld is, zeggen de notities niet; daarom staat hij niet bij de personen. Bij de eerste mening over de wet van eerdere profeten staat een kort voorbeeld tussen haakjes (de ram van het offer) waarvan de bedoeling onduidelijk is; dat is weggelaten.
Schema’s
De wet van eerdere profeten: vijf meningen
Geldt de wet van eerdere profeten voor ons tot haar opheffing vaststaat? (p. 8)
① Geldt voor ons en onze Profeetwant hij was er met ons aan gebonden; al-Qāḍī ʿAbd al-Wahhāb: dat volgt uit de grondslagen van Mālik, ash-Shāfiʿī neigde ertoe, Ibn al-ʿArabī koos het
② De wet van Ibrāhīm"Daarna openbaarden Wij jou: volg de gemeenschap van Ibrāhīm, oprecht" (an-Naḥl 123)
③ De wet van Mūsāwij zijn gebonden aan de wet van Mūsā
④ De wet van ʿĪsāwij zijn gebonden aan de wet van ʿĪsā
⑤ Aan niemands wet gebonden"Voor ieder van jullie hebben Wij een wet en een weg gemaakt" (al-Māʾida 48); volgens de notities de sterkste
Ibrāhīm volgen betekent hem volgen in tawḥīd, niet in zijn wet. Onderdeel 5p. 8
Wat van de berichten van de Banū Isrāʾīl aanvaard wordt
Uit de uitleg van "vertel over de Banū Isrāʾīl" (p. 7).
Over zichzelf en hun geschiedenismag verteld worden: het is als een bekentenis over zichzelf of hun volk
Over anderenvereist betrouwbaarheid en een vaststaande keten tot de bron
Over een wetsregelhoeft niet aanvaard te worden; de Profeet ﷺ werd boos toen hij ʿUmar met een deel van de Thora zag
Wat onze Koran of Sunna bevestigtvalt onder "de wet van wie vóór ons waren"
Een ongelovige in de moskee
Bij vers 114 (p. 10).
| Vergelijking | Regel | Bewijs |
|---|---|---|
| Ibn al-ʿArabī | een ongelovige mag nooit een moskee betreden | "behalve in vrees": betreden ze die, dan uit vrees dat de moslims hen eruit zetten |
| Ḥanafieten | joden en christenen mogen overal binnen, ook in al-Masjid al-Ḥarām | het betreden is aan vrees verbonden, niet volledig verboden; en ongelovigen kwamen in de tijd van de Profeet ﷺ in de moskee |
| Mālikieten | nooit toegestaan | "de polytheïsten zijn onrein": de reden is onreinheid, en die is in hen, terwijl elke moskee heilig is |
| Ash-Shāfiʿī | onderscheid: niet al-Masjid al-Ḥarām, wel andere moskeeën met toestemming van een moslim (an-Nawawī) | Thumāma werd in de moskee vastgebonden |
| De sterkste mening | in alle moskeeën behalve al-Masjid al-Ḥarām, bij nood of belang zoals daʿwa | Thumāma, en «wie de Kaʿba binnengaat is veilig» |
Wat werd op de twee engelen neergezonden? (Ibn ʿAṭiyya)
Drie verklaringen bij Ibn ʿAṭiyya (p. 9).
Magie als beproevingzodat wie haar volgt ongelovig wordt en wie haar laat gelooft
Het scheiden, niet de magieMujāhid en anderen: wat man en vrouw scheidt werd neergezonden, niet de magie
Magie als waarschuwingneergezonden om haar te leren kennen als waarschuwing en verbod
"Daar is het aangezicht van Allah": uitleg en bevestiging
De meningen bij Ibn al-ʿArabī en al-Qurṭubī, en de leer van de salaf (p. 11–13).
Het aangezicht dat aan Allah wordt toegeschreven
Uitleg van Ibn al-ʿArabīdaar is Allah (geen richting), of daar is de qibla van Allah, of het richten van de bedoeling op Hem
Meningen bij al-Qurṭubīhet bestaan (beeldspraak), het beschrevene (Ibn Fūrak), een eigenschap door de openbaring, de richting (qibla), de bedoeling
De leer van de salafeen vaststaande eigenschap uit de openbaring, zonder vergelijking en zonder hoe; de overdrachtelijke uitleg is ongeldig
De twee rakʿa's na de ṭawāf bij de Maqām
p. 13
| Vergelijking | Wie | Bewijs |
|---|---|---|
| Verplicht; wie ze nalaat brengt een offer | Ibn al-ʿArabī; de Ḥanafieten, een overlevering van Aḥmad, een mening bij de Shāfiʿieten; de Mālikieten bij de verplichte ṭawāf | "neem" is een gebod zonder aanwijzing, en zo'n gebod duidt op verplichting |
| Niet verplicht | de meerderheid; dit is juister | alleen de vijf gebeden zijn verplicht: de hadith van Ḍimām «moet ik nog iets anders? Nee, tenzij vrijwillig» |
Ibn al-Mundhir: misschien zijn ze verplicht; maar de consensus van de geleerden wijst op het tegendeel: noch het gebed noch de plaats is verplicht (al-Khuḍayr). Onderdeel 8p. 13
Uitleg
Vers 67, de koe: vertellen over de Banū Isrāʾīl
Dit is het veertiende vers in de rangschikking van Ibn al-ʿArabī; in de tweede kwestie spreekt hij over het vertellen over de Banū Isrāʾīl. Geleerden vertelden veel over hen, en van de Profeet ﷺ staat vast: «Vertel over de Banū Isrāʾīl, er is geen bezwaar.» Dat betekent: vertellen wat zij over zichzelf en hun geschiedenis berichten, niet wat zij over anderen berichten. Want berichten over anderen vereisen betrouwbaarheid en een vaststaande keten tot de bron, terwijl wat zij over zichzelf berichten een soort bekentenis over zichzelf of hun volk is, waarvan zij het meest weten. Berichten zij een wetsregel, dan hoeft die niet aanvaard te worden. Dat geldt voor wat niet in onze Koran of Sunna bevestigd is; anders valt het onder "de wet van wie vóór ons waren".
De Profeet ﷺ werd boos over het lezen in de Thora
In de overlevering van Mālik van ʿUmar: «De Boodschapper van Allah ﷺ zag mij met een boek waarvan de randen gerafeld waren. Hij zei: wat is dit? Ik zei: een deel van de Thora. Hij werd boos en zei: bij Allah, als Mūsā nog leefde, zou hij niets anders kunnen dan mij volgen.» In een andere overlevering: «Zijn jullie daarover in verwarring, Ibn al-Khaṭṭāb? Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, ik heb het jullie wit en zuiver gebracht... als Mūsā nog leefde, zou hij niets anders kunnen dan mij volgen.» En in een andere: «Vraag hun niets; dan vertellen ze jullie de waarheid en verloochenen jullie die, of iets vals en geloven jullie het.» Op hun woorden kan men dus in niets vertrouwen.
De wet van wie vóór ons waren
De derde kwestie: geldt de wet van eerdere profeten voor ons tot haar opheffing vaststaat? Er zijn vijf meningen: (1) ze geldt voor ons en voor onze Profeet ﷺ, want hij was er samen met ons aan gebonden; al-Qāḍī ʿAbd al-Wahhāb: dat volgt uit de grondslagen van Mālik, en ash-Shāfiʿī neigde ertoe. (2) We zijn gebonden aan de wet van Ibrāhīm: ﴿Daarna openbaarden Wij jou: volg de gemeenschap van Ibrāhīm, oprecht﴾. (3) Aan die van Mūsā. (4) Aan die van ʿĪsā. (5) Aan niemands wet: ﴿Voor ieder van jullie hebben Wij een wet en een weg gemaakt﴾. Daaruit blijkt dat Ibrāhīm volgen betekent hem volgen in tawḥīd, niet in zijn wet. Ibn al-ʿArabī koos de eerste: juist is dat de wet van eerdere profeten voor ons geldt voor zover onze Profeet ﷺ erover berichtte, niet wat ons langs andere weg bereikte, omdat die wegen bedorven zijn; dat is uitdrukkelijk de leer van Mālik in zijn grondslagen. Hij bewees het met ﴿Zij zijn het die Allah leidde, volg dus hun leiding﴾: hij kreeg het bevel hen te volgen.
De keuze van de notities en de woorden van al-Juwaynī
De vijfde mening is sterker (Allah weet het best): vanwege de genoemde bewijzen, de consensus van de umma dat de sharīʿa van Muḥammad ﷺ de eerdere wetten opheft, en omdat zij op zich volledig is en past bij elke tijd en plaats, zodat er niets van buiten aan toegevoegd hoeft te worden. Ibn al-ʿArabī haalt woorden van al-Juwaynī aan om ze te weerleggen, maar ze zijn heel sterk: «Van onze Profeet is nooit gehoord dat hij zich tot een van hen wendde, hen naar een regel vroeg of hen iets liet uitleggen, omdat wat zij hebben bedorven is.»
Vers 102: de twee engelen
In de zesde kwestie: als men vraagt hoe ongeloof op de twee engelen kon neerdalen, terwijl engelen doen wat hun bevolen wordt en dag en nacht Allah verheerlijken zonder te verslappen, hoe konden ze dan ongeloof spreken en onderwijzen? Dan zeggen wij: dat was voor sommigen zo moeilijk dat van al-Ḥasan wordt overgeleverd dat hij "al-malikayn" (twee koningen) las. Niets van wat over de twee engelen overgeleverd is heeft een authentieke keten. Ibn al-ʿArabī ging uitgebreid in op wat geleerden over hen zeiden. De lezing "al-malikayn" is afwijkend en hoort niet bij de tien lezingen. Juist is dat het twee engelen waren die Allah als beproeving en test naar de aarde zond, en die de mensen op Allahs bevel magie leerden.
Meer uitleg
Ibn ʿAṭiyya in zijn tafsīr: dat is volgens de mening dat Allah de magie op de engelen neerzond als beproeving, zodat wie haar volgt ongelovig wordt en wie haar laat gelooft; of volgens Mujāhid en anderen dat Allah hun neerzond waarmee man en vrouw gescheiden worden, niet de magie; of dat Hij de magie op hen neerzond zodat zij gekend zou worden als waarschuwing en verbod.
Vers 114: de uitleg van Ibn al-ʿArabī
De vierde kwestie: als de moslims de moskeeën in hun macht hebben, kan een ongelovige ze niet meer betreden; doet hij het toch, dan in vrees dat de moslims hem eruit zetten en hem daarvoor straffen. Ibn al-ʿArabī: dit bewijst dat een ongelovige nooit een moskee mag betreden. De context is ﴿Wie is onrechtvaardiger dan wie verhindert dat in de moskeeën van Allah Zijn naam genoemd wordt, en streeft naar hun verwoesting?﴾. As-Saʿdī: daaronder vallen de mensen van de olifant, Quraysh toen zij de Boodschapper in het jaar van al-Ḥudaybiya tegenhielden, de christenen toen zij Jeruzalem (Bayt al-Maqdis) verwoestten, en andere onrechtplegers die naar verwoesting streven. Allah vergold hun door hun de toegang te ontzeggen, door Zijn wet en Zijn beschikking, behalve in vrees en vernedering: omdat zij Allahs dienaren angst aanjoegen, joeg Allah hun angst aan. Kort daarna liet Allah de Profeet ﷺ Mekka veroveren en verbood Hij de polytheïsten Zijn Huis te naderen; zo krijgt ieder die hun eigenschappen heeft zijn deel.
Een ongelovige in de moskee: de scholen en de sterkste mening
Ḥanafieten: joden en christenen mogen overal binnen, ook in al-Masjid al-Ḥarām, want "behalve in vrees" betekent onder het gezag van de moslims, zoals na de verovering van Mekka. Ibn Kathīr: een mededeling met de betekenis van een gebod: laat hen niet binnen als jullie er macht over hebben, behalve onder een bestand of de jizya. Zij zeggen: het binnengaan is aan vrees verbonden, niet volledig verboden; en in de tijd van de Profeet ﷺ kwamen ongelovigen in de moskee. Mālikieten: nooit, omdat zij onrein zijn: ﴿De polytheïsten zijn onrein, laten zij dus na dit jaar al-Masjid al-Ḥarām niet naderen﴾; Ibn al-ʿArabī: dan ook geen enkele andere moskee, want de reden zit in hen en de heiligheid in elke moskee. Ash-Shāfiʿī maakt onderscheid: niet al-Masjid al-Ḥarām, wel andere; an-Nawawī: met toestemming van een moslim. De sterkste mening: in alle moskeeën behalve al-Masjid al-Ḥarām, bij nood of belang zoals daʿwa, op grond van Thumāma en de uitspraak op de dag van de verovering: «Wie het huis van Abū Sufyān binnengaat is veilig, en wie de Kaʿba binnengaat is veilig», gericht tot de polytheïsten van Quraysh.
Meer uitleg
Na het citaat van an-Nawawī volgt in de notities een weerlegging van de Mālikieten (of die ook van an-Nawawī is, is niet duidelijk): als het nooit mocht, waarom bracht de Profeet ﷺ Thumāma dan in de moskee en bond hij hem daar vast, terwijl hij hem ook buiten had kunnen vastbinden? Ash-Shinqīṭī: ook al gaat het vers "de polytheïsten zijn onrein" alleen over al-Masjid al-Ḥarām, de reden van de regel vraagt om toepassing op alle moskeeën. In de uṣūl staat vast dat de ratio de regel soms verruimt en soms beperkt; de weg van aanduiding en wenk (al-īmāʾ wa-t-tanbīh) wijst erop dat de reden hun onreinheid is, en alle moskeeën moeten tegen onreinheid beschermd worden. Het antwoord in de notities: de hadith van Thumāma laat zien dat deze regel alleen voor al-Masjid al-Ḥarām geldt.
Vers 115: de uitleg van Ibn al-ʿArabī
Onder de achttiende kwestie spreekt Ibn al-ʿArabī over het ontkennen van richting en plaats voor Allah. Over ﴿daar is het aangezicht van Allah﴾ zegt men: het betekent "daar is Allah"; dat zou bewijzen dat Hij geen richting of plaats heeft, omdat dat voor Hem onmogelijk is, en dat Hij overal is met Zijn kennis en macht. Anderen: daar is de qibla van Allah, waarbij "aangezicht" de naam is voor de richting waarheen men zich wendt. Anderen: Allah is vóór je aangezicht, dat wil zeggen dat je je bedoeling op Allah richtte. Al-Qurṭubī: men verschilt over de uitleg van het aangezicht dat aan Allah wordt toegeschreven. De bekwamen zeggen: het gaat om het bestaan, en het "aangezicht" noemen is beeldspraak. Ibn Fūrak: soms noemt men de eigenschap en bedoelt men wie haar heeft, zoals "ik zag de kennis van iemand", dat wil zeggen de geleerde. Sommige imams: een eigenschap die door de openbaring vaststaat, naast wat het verstand vereist. Anderen: de richting waarheen wij gewend zijn, de qibla; of: de bedoeling.
Meer uitleg
In de kantlijn bij "naast wat het verstand vereist": het verstand laten oordelen in een kwestie waarin het verstand geen rol heeft. Al-Qurṭubī, na veertien meningen over de istiwāʾ te hebben genoemd: de duidelijkste daarvan, ook al houd ik haar niet aan en kies ik haar niet, is wat verzen en overleveringen eensgezind zeggen: dat Allah boven Zijn Troon is, zoals Hij in Zijn Boek en bij monde van Zijn Profeet berichtte, zonder hoe, en gescheiden van al Zijn schepping; dat is samengevat de leer van de vrome salaf volgens betrouwbare overleveraars. Daarna noemen de notities het boek al-Asnā fī Sharḥ Asmāʾ Allāh al-Ḥusnā wa-Ṣifātihi al-ʿUlā.
De leer van de salaf over het aangezicht
De salaf houden het aangezicht voor een vaststaande eigenschap van Allah die de openbaring noemt en die aanvaard wordt; de leer van de overdrachtelijke uitleg is ongeldig. Al-Bayhaqī en al-Khaṭṭābī over ﴿En het aangezicht van je Heer blijft, de Bezitter van majesteit﴾: Hij verbond het aangezicht met het Wezen, en de beschrijving met het aangezicht: "dhū al-jalāl" (in de nominatief). Was het woord "aangezicht" slechts een toevoeging en geen eigenschap van het Wezen, dan had Hij "dhī al-jalāl" gezegd; omdat Hij "dhū al-jalāl" zei, weten we dat het een beschrijving van het aangezicht is. Shaykh al-Islām Ibn Taymiyya was er zeker van dat wat hij in al-ʿAqīda al-Wāsiṭiyya schreef de geloofsleer van de salaf is, en zei: ik heb iedereen die mij daarin tegenspreekt drie jaar gegeven; brengt hij één letter van iemand uit de eerste drie generaties die afwijkt van wat ik schreef, dan trek ik het terug. Ibn Khuzayma in Kitāb at-Tawḥīd: wij en al onze geleerden uit de Ḥijāz, Tihāma, Jemen, Irak, Syrië en Egypte bevestigen voor Allah wat Hij voor Zichzelf bevestigde; we erkennen het met onze tong en geloven het met ons hart, zonder het aangezicht van onze Schepper te vergelijken met dat van een schepsel. Onze Heer is te machtig om op de schepselen te lijken, en verheven boven wat de ontkenners zeggen.
De woorden van Ibn Rushd (de grootvader)
Ibn Rushd Abū al-Walīd, de grootvader, uit Córdoba, shaykh van de Mālikieten in zijn tijd en opperrechter van Córdoba, in al-Bayān wa-t-Taḥṣīl: er is onder hen geen verschil dat men mag zeggen dat Allah twee handen, een aangezicht en twee ogen heeft, want Allah beschreef Zichzelf zo in Zijn Boek; dus moet men dat zeggen en geloven dat het eigenschappen van Zijn Wezen zijn, zonder hoe, zonder vergelijking en zonder begrenzing, want niets van de schepselen lijkt op Hem. Dat is de mening van de grondige theologen. Veel shaykhs aarzelden over het bevestigen van deze eigenschappen en zeiden: in Allahs eigenschappen mag niets bevestigd worden wat we niet door noodzakelijk of bewijzend verstand kennen; zij legden ze overdrachtelijk uit: het aangezicht is het Wezen, de ogen het waarnemen, de handen twee gunsten. Juist is de mening van de grondigen die ze als eigenschappen van Zijn Wezen bevestigen.
Vers 125: "Neem de Maqām Ibrāhīm als gebedsplaats"
De Maqām is de steen waarop Ibrāhīm zijn voet zette toen hij de Kaʿba bouwde. Ibn al-ʿArabī legt uit wanneer daar gebeden wordt: na de ṭawāf, want toen de Profeet ﷺ zijn ṭawāf beëindigde, liep hij naar de Maqām en bad daar twee rakʿa's (Muslim); zijn daad bepaalt het moment van dit gebed. Hij stelt ook dat de twee rakʿa's van de ṭawāf verplicht zijn, en wie ze nalaat moet een offerdier brengen, want een gebod zonder aanwijzing duidt op verplichting. Dat is de mening van de Ḥanafieten, een overlevering van Aḥmad en een mening bij de Shāfiʿieten; de Mālikieten volgen hen bij de verplichte ṭawāf. Maar de mening van de meerderheid is juister: zij antwoorden dat alleen de vijf gebeden verplicht zijn, op grond van de hadith van Ḍimām ibn Thaʿlaba, die na het horen van de vijf gebeden vroeg: «Moet ik nog iets anders doen? Hij zei: nee, tenzij je vrijwillig iets doet.» ʿAbd al-Karīm al-Khuḍayr citeert Ibn al-Mundhir: misschien zijn de twee rakʿa's achter de Maqām verplicht; en vraagt: richt het gebod in het vers zich op het gebed, of op de plaats achter de Maqām? De consensus van de geleerden wijst op het tegendeel van wat Ibn al-Mundhir zei: het is niet verplicht, noch het gebed noch de plaats.
Kernpunten
Berichten van de Banū Isrāʾīl
- Over zichzelf en hun geschiedenis: mag verteld worden (als een bekentenis)
- Over anderen: vereist betrouwbaarheid en een vaststaande keten
- Over een wetsregel: hoeft niet aanvaard te worden
- Wat onze Koran of Sunna bevestigt: valt onder de wet van wie vóór ons waren
Bewijzen om niet op de Mensen van het Boek terug te vallen
- Zijn ﷺ boosheid toen hij ʿUmar met een deel van de Thora zag
- «Als Mūsā nog leefde, zou hij niets anders kunnen dan mij volgen»
- «Vraag hun niets; dan vertellen ze de waarheid en verloochenen jullie die, of iets vals en geloven jullie het»
- Al-Juwaynī: nooit is gehoord dat hij ﷺ zich tot een van hen wendde
De vijf meningen over de wet van eerdere profeten
- Geldt voor ons en onze Profeet (keuze van Ibn al-ʿArabī)
- Gebonden aan de wet van Ibrāhīm
- Gebonden aan de wet van Mūsā
- Gebonden aan de wet van ʿĪsā
- Aan niemands wet gebonden (volgens de notities het sterkst)
Bewijzen voor de vijfde mening
- "Voor ieder van jullie hebben Wij een wet en een weg gemaakt" (al-Māʾida 48)
- Consensus dat de sharīʿa van Muḥammad ﷺ de eerdere opheft
- Zij is volledig en past bij elke tijd en plaats
- Al-Juwaynī: hij ﷺ wendde zich nooit tot hen en vroeg hun geen regel
Bewijzen van Ibn al-ʿArabī voor de eerste mening
- "Zij zijn het die Allah leidde, volg dus hun leiding" (al-Anʿām 90): hij kreeg het bevel hen te volgen
- Dat is uitdrukkelijk de leer van Mālik in zijn grondslagen
- Beperkt tot wat onze Profeet ﷺ over hen berichtte, omdat de andere wegen bedorven zijn
De gemeenschap van Ibrāhīm volgen
- Bedoeld is hem volgen in tawḥīd
- Niet in zijn wet
Wat op de twee engelen neerkwam (Ibn ʿAṭiyya)
- Magie als beproeving: wie haar volgt wordt ongelovig, wie haar laat gelooft
- Mujāhid en anderen: waarmee man en vrouw gescheiden worden, niet de magie
- Magie, om haar te kennen als waarschuwing en verbod
Bewijzen voor de sterkste mening over de ongelovige in de moskee
- Thumāma ibn Uthāl, vastgebonden aan een pilaar van de moskee
- «Wie het huis van Abū Sufyān binnengaat is veilig, en wie de Kaʿba binnengaat is veilig», gericht tot de polytheïsten van Quraysh
- De hadith van Thumāma laat zien dat het verbod alleen voor al-Masjid al-Ḥarām geldt
Voorwaarde voor een ongelovige in de moskee (sterkste mening)
- Het is niet al-Masjid al-Ḥarām
- Er is nood of een belang, zoals hem tot de islam uitnodigen
- Bij de Shāfiʿieten (an-Nawawī): met toestemming van een moslim
Hoe de Mālikieten met de ratio redeneren
- "De polytheïsten zijn onrein, laten zij al-Masjid al-Ḥarām dus niet naderen"
- De reden is onreinheid, en die is in hen
- De heiligheid is in elke moskee
- Ash-Shinqīṭī: de ratio verruimt de regel, en alle moskeeën moeten tegen onreinheid beschermd worden
Uitleg van "daar is het aangezicht van Allah" bij Ibn al-ʿArabī
- Daar is Allah: geen richting of plaats, Hij is overal met kennis en macht
- Daar is de qibla van Allah: "aangezicht" als naam voor de richting
- Allah is vóór je aangezicht: je richtte je bedoeling op Allah
Bewijzen dat het aangezicht een eigenschap is
- "En het aangezicht van je Heer blijft, dhū al-jalāl": dhū beschrijft het aangezicht, niet het Wezen (al-Bayhaqī en al-Khaṭṭābī)
- Ibn Khuzayma: we bevestigen wat Allah voor Zichzelf bevestigde, zonder vergelijking
- Ibn Rushd de grootvader: geen verschil dat men handen, aangezicht en ogen aan Allah mag toeschrijven
- De uitdaging van Ibn Taymiyya: één letter uit de eerste drie generaties tegen de Wāsiṭiyya
Wie bevestigt en wie overdrachtelijk uitlegt
- De grondigen: eigenschappen van het Wezen, zonder hoe, vergelijking of begrenzing
- De uitleggers: aangezicht = Wezen, ogen = waarnemen, handen = twee gunsten
- Hun reden: alleen bevestigen wat het verstand noodzakelijk of met bewijs kent
Regels uit vers 125
- De Maqām: de steen waarop Ibrāhīm zijn voet zette bij de bouw van de Kaʿba
- Het gebed daar komt na de ṭawāf, door de daad van de Profeet ﷺ (Muslim)
- Ibn al-ʿArabī: de twee rakʿa's zijn verplicht; wie ze nalaat brengt een offer
- De meerderheid (juister): niet verplicht
De tien lezingen
- De bekende lezingen waarin de Koran wordt gereciteerd, genoemd naar tien imams van de recitatie
- Wat erbuiten valt, heet afwijkend (shādhdh), zoals de lezing "al-malikayn" hier
خبايا الزوايا
Khabāyā az-zawāyā: wat in de hoeken verborgen zit. Fijne punten, uitzonderingen en subtiele onderscheiden uit de les zelf, die je bij snel lezen mist.
Waarom aanvaardt men wat zij over zichzelf zeggen?
Omdat het een bekentenis over zichzelf of het eigen volk is, waarvan zij het meest weten; berichten over anderen vereisen betrouwbaarheid en een vaststaande keten tot de bron.
De profeten volgen tegenover gebonden zijn aan hun wet
Ibn al-ʿArabī leidt uit "volg hun leiding" af dat hun wet geldt; de notities maken duidelijk dat Ibrāhīm volgen tawḥīd betreft, niet zijn wet, en vinden de vijfde mening sterker.
Wat de tegenstander zegt kan sterker zijn dan de weerlegging
Ibn al-ʿArabī haalt al-Juwaynī aan om hem te weerleggen, maar de notities vinden diens woorden heel sterk: de Profeet ﷺ wendde zich nooit tot de Mensen van het Boek en vroeg hun geen regel, omdat wat zij hebben bedorven is. Dat ondersteunt de vijfde mening.
De lezing van al-Ḥasan en de aanleiding
De lezing "al-malikayn" (koningen) kwam voort uit de moeilijkheid dat ongeloof zou neerdalen op engelen die doen wat hun bevolen wordt; maar ze is afwijkend, en juist is dat het engelen waren die op Allahs bevel als beproeving neerkwamen.
"Behalve in vrees": mededeling of gebod?
Ibn Kathīr: een mededeling met de betekenis van een gebod: laat hen niet binnen behalve onder bestand of jizya. De Ḥanafieten leiden eruit af dat het betreden aan vrees gebonden is, niet volledig verboden; Ibn al-ʿArabī leidt eruit af dat een ongelovige nooit een moskee mag betreden.
De hadith van Thumāma beperkt de ratio
De Mālikieten en ash-Shinqīṭī trekken de ratio van onreinheid door naar alle moskeeën; de hadith van Thumāma, die de Profeet ﷺ in de moskee vastbond terwijl hij dat ook buiten kon, laat zien dat het verbod alleen voor al-Masjid al-Ḥarām geldt.
Het verstand laten oordelen over de eigenschappen
Bij "een eigenschap uit de openbaring, naast wat het verstand vereist" merken de notities op: dat is het verstand laten oordelen in een kwestie waarin het verstand geen rol heeft.
Al-Qurṭubī tegen zijn eigen keuze in
Na veertien meningen over de istiwāʾ zegt al-Qurṭubī: de duidelijkste, ook al houd ik haar niet aan en kies ik haar niet, is dat Allah boven Zijn Troon is, zonder hoe, gescheiden van de schepping, en dat is de leer van de salaf. Hij erkent dus dat de duidelijkste mening een andere is dan die hij koos.
Wat de naamvallen over de eigenschap zeggen
In "en het aangezicht van je Heer blijft, dhū al-jalāl" staat dhū in de nominatief en beschrijft dus het aangezicht. Was het aangezicht maar een toevoeging, dan had er dhī al-jalāl (genitief, bij "je Heer") gestaan. De naamval bewijst dat het aangezicht een eigenschap is (al-Bayhaqī en al-Khaṭṭābī).
Geldt het gebod het gebed of de plaats?
Al-Khuḍayr vraagt, Ibn al-Mundhir aanhalend: richt het gebod in het vers zich op het gebed of op de plaats achter de Maqām? De consensus is dat geen van beide verplicht is.
De daad van de Profeet bepaalt het moment
Het vers beveelt de Maqām als gebedsplaats te nemen maar noemt geen tijd; zijn daad ﷺ, twee rakʿa's daar na de ṭawāf, bepaalt wanneer dit gebed plaatsvindt.
Begrippen
بنو إسرائيل
banū isrāʾīl
Over hen mag verteld worden wat zij over zichzelf en hun geschiedenis berichten.
إقرار المرء على نفسه
iqrār al-marʾ ʿalā nafsih
Een bekentenis over zichzelf: zo gelden hun berichten over zichzelf en hun volk, want daarvan weten zij het meest.
العدالة والثبوت
al-ʿadāla wa-th-thubūt
Betrouwbaarheid en vaststaan: de voorwaarde om een bericht over anderen te aanvaarden, betrouwbare overleveraars en een vaststaande keten tot de bron.
تشرّمت
tasharramat
Was gerafeld (gescheurd).
أمتهوّكون
a-mutahawwikūn
Zijn jullie in verwarring?
شرع من قبلنا
sharʿ man qablanā
De wetten van de profeten vóór onze Profeet ﷺ; de vraag is of ze voor ons gelden tot hun opheffing vaststaat.
متعبَّد بالشريعة
mutaʿabbad bi-sh-sharīʿa
Eraan gebonden, verplicht ernaar te handelen.
الناسخة
an-nāsikha
Opheffend: de sharīʿa van Muḥammad ﷺ heft volgens de consensus van de umma de eerdere wetten op.
القراءة الشاذة
al-qirāʾa ash-shādhdha
Een afwijkende lezing die niet bij de tien lezingen hoort, zoals "al-malikayn" (twee koningen), overgeleverd van al-Ḥasan.
الفتنة
al-fitna
Beproeving: Allah zond de engelen als test, zodat wie de magie volgt ongelovig wordt en wie haar laat gelooft.
الهدنة والجزية
al-hudna wa-l-jizya
Bestand en jizya; Ibn Kathīr: laat hen de moskeeën niet binnen als jullie er macht over hebben, behalve onder een bestand of de jizya.
خبر معناه الطلب
khabar maʿnāhu aṭ-ṭalab
Een mededelende zin die een gebod bedoelt, zoals "het past hun niet ze te betreden behalve in vrees" volgens Ibn Kathīr.
النجاسة
an-najāsa
Onreinheid: voor de Mālikieten de reden waarom polytheïsten al-Masjid al-Ḥarām niet mogen naderen.
مسلك الإيماء والتنبيه
maslak al-īmāʾ wa-t-tanbīh
Een van de wegen om de ratio (ʿilla) te vinden; volgens ash-Shinqīṭī wijst die erop dat de reden van het verbod hun onreinheid is.
تعميم العلة وتخصيصها
taʿmīm al-ʿilla wa-takhṣīṣuhā
De ratio kan de regel soms verruimen en soms beperken.
Verruimen gebeurt door het bijzondere buiten beschouwing te laten en de regel aan de algemenere betekenis te verbinden.
الجهة والمكان
al-jiha wa-l-makān
Richting en plaats; Ibn al-ʿArabī ontkent die voor Allah en zegt dat Hij overal is met Zijn kennis en macht.
التأويل
at-taʾwīl
Een eigenschap van haar letterlijke betekenis afleiden, zoals zeggen dat met het aangezicht het wezen of het bestaan bedoeld is, en met de handen twee gunsten.
الصفة الثابتة بالسمع
aṣ-ṣifa ath-thābita bi-s-samʿ
Een eigenschap die vaststaat door de openbaring, zoals het aangezicht bij de salaf.
الصلة
aṣ-ṣila
Dat het woord "aangezicht" slechts een verbinding (ṣila) is en geen eigenschap van het Wezen, zoals wanneer men zegt dat "de beloning van Allah" bedoeld is; al-Bayhaqī en al-Khaṭṭābī weerleggen dat met dhū al-jalāl.
المعطّلة
al-muʿaṭṭila
Zij die de eigenschappen ontkennen; Ibn Khuzayma: onze Heer is verheven boven wat de ontkenners zeggen.
مقام إبراهيم
maqām ibrāhīm
De steen waarop Ibrāhīm zijn voet zette toen hij de Kaʿba bouwde.
ركعتا الطواف
rakʿatā aṭ-ṭawāf
Twee rakʿa's bij de Maqām na de ṭawāf.
الأمر المطلق
al-amr al-muṭlaq
Een gebod zonder aanwijzing ernaast; het duidt op verplichting.
الدم
ad-dam
Een offerdier, verplicht voor wie de twee rakʿa's nalaat, volgens wie ze verplicht noemt.
Regels (qawāʿid)
De uṣūl-regels (qawāʿid) en vuistregels uit dit hoofdstuk, kort geformuleerd om te onthouden.
-
De wet van wie vóór ons waren geldt voor ons zolang er geen opheffing is
شرع من قبلنا شرع لنا ما لم يرد ناسخ
De eerste mening; Ibn al-ʿArabī koos haar en beperkte haar tot wat onze Profeet ﷺ over hen berichtte.
-
De sharīʿa van Muḥammad ﷺ heft de eerdere op
شريعة محمد ﷺ ناسخة لما قبلها
Volgens de consensus van de umma; een bewijs voor de vijfde mening.
-
Een bekentenis over zichzelf wordt aanvaard; een bericht over anderen vereist betrouwbaarheid
الإقرار على النفس مقبول، والخبر عن الغير يفتقر إلى العدالة
Toegepast op de berichten van de Banū Isrāʾīl.
-
Een afwijkende lezing hoort niet bij de tien lezingen
القراءة الشاذة ليست من القراءات العشر
Zoals "al-malikayn".
-
De ratio kan de regel verruimen of beperken
العلة قد تعمّم معلولها وقد تخصصه
Vastgesteld door ash-Shinqīṭī; hij trok daarmee het verbod door naar alle moskeeën.
Voorbeeld: De ratio van "de polytheïsten zijn onrein" is onreinheid; volgens hem moeten dus alle moskeeën beschermd worden.
-
Een mededeling kan een gebod betekenen
الخبر قد يأتي بمعنى الطلب
Ibn Kathīr bij "het past hun niet ze te betreden behalve in vrees".
-
Wij bevestigen wat Allah voor Zichzelf bevestigde, zonder vergelijking en zonder hoe
نثبت لله ما أثبته لنفسه من غير تشبيه ولا تكييف
De leer van de salaf, zoals Ibn Khuzayma en Ibn Rushd de grootvader zeiden.
Voorbeeld: Het aangezicht is een vaststaande eigenschap van Allah.
-
Een gebod zonder aanwijzing duidt op verplichting
الأمر المطلق يقتضي الوجوب
Gebruikt door wie de twee rakʿa's na de ṭawāf verplicht noemt.
Voorbeeld: "Neem de Maqām Ibrāhīm als gebedsplaats".
-
De daad van de Profeet ﷺ bepaalt het moment dat de tekst openlaat
فعل النبي ﷺ يحدد وقت ما أطلقه النص
Zijn daad bepaalde dat het gebed bij de Maqām na de ṭawāf komt.
Meningsverschillen
Kwesties waarover de geleerden verschillen, met de standpunten en wat de auteur of de toelichting de voorkeur geeft.
Geldt de wet van wie vóór ons waren voor ons?
- Ja, voor ons en onze Profeet (al-Qāḍī ʿAbd al-Wahhāb: volgt uit de grondslagen van Mālik; ash-Shāfiʿī neigde ertoe; Ibn al-ʿArabī koos het)
- We zijn gebonden aan de wet van Ibrāhīm
- Aan de wet van Mūsā
- Aan de wet van ʿĪsā
- Aan niemands wet
Voorkeur: Volgens de notities is de vijfde mening het sterkst: "voor ieder van jullie een wet en een weg", de consensus dat de sharīʿa van Muḥammad ﷺ de eerdere opheft, en haar volledigheid.
Waren het twee engelen (malakayn) of twee koningen (malikayn)?
- De lezing van al-Ḥasan: "al-malikayn", koningen
- Twee engelen die Allah als beproeving zond
Voorkeur: Juist is dat het engelen waren; de lezing "koningen" is afwijkend en hoort niet bij de tien lezingen.
Mag een ongelovige een moskee betreden?
- Ibn al-ʿArabī en de Mālikieten: nooit, vanwege onreinheid
- Ḥanafieten: joden en christenen mogen overal binnen, zelfs in al-Masjid al-Ḥarām
- Ash-Shāfiʿī: niet al-Masjid al-Ḥarām, wel andere (met toestemming van een moslim, volgens an-Nawawī)
Voorkeur: Toegestaan in alle moskeeën behalve al-Masjid al-Ḥarām, bij nood of belang zoals daʿwa, op grond van Thumāma en de uitspraak op de dag van de verovering.
Gevolg van het verschil: Een ongelovige in een andere moskee dan al-Masjid al-Ḥarām, voor een behoefte of daʿwa: verboden bij de Mālikieten, toegestaan bij de Shāfiʿieten en volgens de sterkste mening.
Wat wordt bedoeld met "het aangezicht van Allah"?
- Ibn al-ʿArabī: daar is Allah, of de qibla van Allah, of de bedoeling op Hem gericht
- De bekwamen bij al-Qurṭubī: het bestaan; "aangezicht" is beeldspraak
- Ibn Fūrak: de eigenschap, met de bedoeling wie haar heeft
- De salaf: een vaststaande eigenschap van Allah uit de openbaring
Voorkeur: De leer van de salaf; de overdrachtelijke uitleg is ongeldig. Dat is de mening van de grondigen, zoals Ibn Rushd de grootvader zei.
Zijn de twee rakʿa's na de ṭawāf verplicht?
- Verplicht, met een offer bij nalaten: Ibn al-ʿArabī, de Ḥanafieten, een overlevering van Aḥmad, een mening bij de Shāfiʿieten, en de Mālikieten bij de verplichte ṭawāf
- De meerderheid: niet verplicht
Voorkeur: De mening van de meerderheid is juister, op grond van de hadith van Ḍimām en de consensus die al-Khuḍayr noemt.
Gevolg van het verschil: Wie ze nalaat: een offer volgens wie ze verplicht noemt, niets volgens de meerderheid.
Koranverzen
De Koranverzen die in dit hoofdstuk als bewijs of voorbeeld worden aangehaald, en waarvoor.
﴿إن الله يأمركم أن تذبحوا بقرة﴾
Al-Baqara 67: hierbij bespreekt Ibn al-ʿArabī de berichten van de Banū Isrāʾīl en de wet van eerdere profeten.
﴿ثم أوحينا إليك أن اتبع ملة إبراهيم حنيفاً﴾
An-Naḥl 123: bewijs van de tweede mening; bedoeld is volgen in tawḥīd.
﴿لكلٍّ جعلنا منكم شرعة ومنهاجاً﴾
Al-Māʾida 48: bewijs van de vijfde mening, dat wij aan niemands wet gebonden zijn.
﴿أولئك الذين هدى الله فبهداهم اقتده﴾
Al-Anʿām 90: Ibn al-ʿArabī bewijst ermee dat de wet van eerdere profeten geldt.
﴿واتبعوا ما تتلو الشياطين على ملك سليمان﴾
Al-Baqara 102: het probleem van de magie die op de twee engelen neerkwam.
﴿ومن أظلم ممن منع مساجد الله أن يُذكر فيها اسمه وسعى في خرابها﴾
Al-Baqara 114: de context; as-Saʿdī noemt de mensen van de olifant, Quraysh en de christenen.
﴿أولئك ما كان لهم أن يدخلوها إلا خائفين﴾
Al-Baqara 114: de kwestie van de ongelovige in de moskee; Ibn Kathīr: een mededeling met de betekenis van een gebod.
﴿إنما المشركون نجس فلا يقربوا المسجد الحرام بعد عامهم هذا﴾
At-Tawba: het bewijs van de Mālikieten voor het verbod, met onreinheid als reden.
﴿ولله المشرق والمغرب فأينما تولوا فثمّ وجه الله﴾
Al-Baqara 115: Ibn al-ʿArabī legt het aangezicht overdrachtelijk uit en ontkent richting.
﴿ويبقى وجه ربك ذو الجلال﴾
Ar-Raḥmān 27: al-Bayhaqī en al-Khaṭṭābī bewijzen ermee dat het aangezicht een eigenschap is, want dhū beschrijft het aangezicht.
﴿واتخذوا من مقام إبراهيم مصلى﴾
Al-Baqara 125: het moment van de twee rakʿa's na de ṭawāf en het verschil over hun verplichting.
Hadith
De hadith die in dit hoofdstuk genoemd worden, zoals in de notities.
-
«حدّثوا عن بني إسرائيل ولا حرج»
"Vertel over de Banū Isrāʾīl, er is geen bezwaar."
Betekenis: wat zij over zichzelf en hun geschiedenis berichten, niet wat zij over anderen berichten.
-
Overgeleverd door ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb
«رآني رسول الله صلى الله عليه وسلم وأنا أمسك مصحفاً قد تشرّمت حواشيه، فقال: ما هذا؟ قلتُ: جزء من التوراة، فغضب وقال: والله لو كان موسى حيّاً ما وسعه إلا اتباعي»
"De Boodschapper van Allah ﷺ zag mij met een boek waarvan de randen gerafeld waren. Hij zei: wat is dit? Ik zei: een deel van de Thora. Hij werd boos en zei: bij Allah, als Mūsā nog leefde, zou hij niets anders kunnen dan mij volgen."
Bron: De overlevering van Mālik van ʿUmar
Tasharramat: gerafeld, gescheurd.
-
«أمتهوّكون فيها يا ابن الخطاب؟ والذي نفسي بيده لقد جئتكم بها بيضاء نقيّة... والذي نفسي بيده لو كان موسى حيّاً ما وسعه إلا اتباعي»
"Zijn jullie daarover in verwarring, Ibn al-Khaṭṭāb? Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, ik heb het jullie wit en zuiver gebracht... Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, als Mūsā nog leefde, zou hij niets anders kunnen dan mij volgen."
A-mutahawwikūn: zijn jullie in verwarring? Een andere overlevering van hetzelfde voorval.
-
«لا تسألوهم عن شيء فيخبروكم بحق فتكذّبوا به، أو بباطل فتصدّقوا به»
"Vraag hun niets; dan vertellen ze jullie de waarheid en verloochenen jullie die, of iets vals en geloven jullie het."
Een andere overlevering; op hun woorden kan men dus in niets vertrouwen.
-
«من دخل دار أبي سفيان فهو آمن، ومن دخل الكعبة فهو آمن»
"Wie het huis van Abū Sufyān binnengaat is veilig, en wie de Kaʿba binnengaat is veilig."
Gezegd op de dag van de verovering van Mekka, gericht tot de polytheïsten van Quraysh; een bewijs dat een ongelovige een moskee mag betreden.
-
Overgeleverd door Ḍimām ibn Thaʿlaba
«هل عليّ غيرها؟ قال: لا، إلا أن تطوّع»
"Moet ik nog iets anders doen? Hij zei: nee, tenzij je vrijwillig iets doet."
Gevraagd nadat de Profeet ﷺ hem over de vijf gebeden had verteld; het bewijs van de meerderheid dat de twee rakʿa's na de ṭawāf niet verplicht zijn.
Personen
De personen die in dit hoofdstuk genoemd worden, en waarom.
Genoemd in de tekst
-
ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb
عمر بن الخطاب
Metgezel · gest. 23 AH
De Profeet ﷺ zag hem met een deel van de Thora en werd boos.
-
al-Imām Mālik
الإمام مالك
Geleerde · gest. 179 AH
Overleverde het voorval van ʿUmar met de Thora; volgens Ibn al-ʿArabī is het gelden van de wet van eerdere profeten uitdrukkelijk zijn leer in de grondslagen.
-
al-Qāḍī ʿAbd al-Wahhāb
القاضي عبد الوهاب
Geleerde · gest. 422 AH
Zei dat de mening dat de wet van eerdere profeten voor ons geldt, volgt uit de grondslagen van Mālik.
-
al-Imām ash-Shāfiʿī
الإمام الشافعي
Geleerde · gest. 204 AH
Neigde volgens al-Qāḍī ʿAbd al-Wahhāb naar de eerste mening over de wet van eerdere profeten; bij een ongelovige in de moskee maakt zijn school onderscheid.
-
Ibn Fūrak
ابن فورك
Geleerde · gest. 406 AH
Zei dat men soms de eigenschap noemt en wie haar heeft bedoelt, en las "aangezicht" zo.
-
Ibn Taymiyya
ابن تيمية
Geleerde · gest. 728 AH
Gaf wie hem in al-ʿAqīda al-Wāsiṭiyya tegensprak drie jaar om één letter uit de eerste drie generaties te brengen die ertegen ingaat.
-
al-Imām Muslim
الإمام مسلم
Geleerde · gest. 261 AH
Overleverde dat de Profeet ﷺ na zijn ṭawāf naar de Maqām liep en daar twee rakʿa's bad.
-
al-Imām Aḥmad ibn Ḥanbal
الإمام أحمد بن حنبل
Geleerde · gest. 241 AH
Van hem is een overlevering dat de twee rakʿa's na de ṭawāf verplicht zijn.
Herhaling
Het belangrijkste vlak voor een toets
- Wat betekent "vertel over de Banū Isrāʾīl", en waarom maakt men onderscheid tussen hun berichten over zichzelf en over anderen?
- Wat geldt voor een wetsregel die zij berichten, en wanneer valt die onder de wet van wie vóór ons waren?
- Vertel het voorval van ʿUmar met de Thora en wat eruit volgt.
- Noem de vijf meningen over de wet van eerdere profeten met hun bewijzen.
- Wat kiest Ibn al-ʿArabī, waarmee bewijst hij het, en wat is volgens de notities het sterkst en waarom?
- Wat betekent het de gemeenschap van Ibrāhīm te volgen?
- Wat is het probleem met de magie op de twee engelen, en wat geldt voor de lezing "al-malikayn"?
- Noem de drie verklaringen die Ibn ʿAṭiyya geeft.
- Hoe legt Ibn al-ʿArabī "behalve in vrees" uit, en wie vallen volgens as-Saʿdī onder het vers?
- Vergelijk Ḥanafieten, Mālikieten en Shāfiʿieten over een ongelovige in de moskee, en noem de sterkste mening met bewijs.
- Hoe trok ash-Shinqīṭī de ratio van onreinheid door, en wat is het antwoord?
- Welke overdrachtelijke uitleg geeft Ibn al-ʿArabī van "daar is het aangezicht van Allah"?
- Leg het bewijs van al-Bayhaqī en al-Khaṭṭābī met dhū al-jalāl uit.
- Wat zeggen Ibn Khuzayma en Ibn Rushd de grootvader over het aangezicht?
- Wat is de Maqām, wanneer worden de twee rakʿa's gebeden, en wat is het verschil over hun verplichting?
Flitskaarten
Mijn favorieten
Tik op het sterretje bij een kaart om hem hier te bewaren.
Veelgemaakte fouten
Fouten die studenten bij dit hoofdstuk vaak maken, met wat juist is.
✗ Niet zo: Alles van de Banū Isrāʾīl afwijzen, of alles aanvaarden
✓ Wel zo: Wat zij over zichzelf berichten mag verteld worden; berichten over anderen alleen als ze vaststaan; en een wetsregel van hen hoeft niet aanvaard te worden.
✗ Niet zo: Het volgen van de gemeenschap van Ibrāhīm opvatten als gebonden zijn aan zijn wet
✓ Wel zo: Bedoeld is hem volgen in tawḥīd, niet in zijn wet, zoals blijkt uit "voor ieder van jullie een wet en een weg".
✗ Niet zo: Denken dat de notities Ibn al-ʿArabī volgen over de wet van eerdere profeten
✓ Wel zo: Ibn al-ʿArabī koos de eerste mening; de notities vinden de vijfde sterker.
✗ Niet zo: Vertrouwen op de verhalen over de twee engelen
✓ Wel zo: Niets van wat over de twee engelen overgeleverd is heeft een authentieke keten.
✗ Niet zo: De Shāfiʿieten laten zeggen dat een ongelovige geen enkele moskee mag betreden
✓ Wel zo: Ash-Shāfiʿī verbiedt alleen al-Masjid al-Ḥarām; het volledige verbod is de Mālikitische mening.
✗ Niet zo: Denken dat volgens de notities een ongelovige al-Masjid al-Ḥarām mag betreden
✓ Wel zo: De sterkste mening staat alle moskeeën toe behalve al-Masjid al-Ḥarām; dat ook al-Masjid al-Ḥarām mag, is de Ḥanafitische mening.
✗ Niet zo: Ibn Rushd de grootvader verwarren met de Ibn Rushd van Bidāyat al-Mujtahid
✓ Wel zo: Het citaat hier is van Ibn Rushd Abū al-Walīd de grootvader, shaykh van de Mālikieten en opperrechter van Córdoba, uit al-Bayān wa-t-Taḥṣīl.
✗ Niet zo: Denken dat Ibn al-ʿArabī de twee rakʿa's sunna vindt
✓ Wel zo: Hij stelt dat ze verplicht zijn en dat wie ze nalaat een offer brengt; dat ze niet verplicht zijn, is de mening van de meerderheid.
Test jezelf
Wat betekent volgens de notities "vertel over de Banū Isrāʾīl, er is geen bezwaar"?
Als de Banū Isrāʾīl een wetsregel berichten, moet die aanvaard worden.
Wat betekent "tasharramat ḥawāshīhi" in het bericht van ʿUmar?
Hoeveel meningen over de wet van eerdere profeten noemen de notities?
Wie zei dat de mening "de wet van eerdere profeten geldt voor ons" volgt uit de grondslagen van Mālik?
Met welk vers bewees Ibn al-ʿArabī dat de wet van eerdere profeten geldt?
De notities vinden de vijfde mening het sterkst: wij zijn aan niemands wet gebonden.
Vanwege de bewijzen, de consensus dat de sharīʿa van Muḥammad ﷺ de eerdere opheft, en haar volledigheid.
Onderdeel 5p. 8Wat betekent volgens de notities de gemeenschap van Ibrāhīm volgen?
De lezing "al-malikayn" (koningen) hoort bij de tien lezingen.
Aan wie wordt toegeschreven dat Allah op de engelen neerzond waarmee man en vrouw gescheiden worden, niet de magie?
Wat zeggen de Ḥanafieten over joden en christenen in de moskee?
Wat is voor de Mālikieten de reden van het verbod?
Volgens de sterkste mening in de notities mag een ongelovige al-Masjid al-Ḥarām betreden voor daʿwa.
Wat is het antwoord op ash-Shinqīṭī, die de ratio van onreinheid naar alle moskeeën doortrekt?
Wat zegt Ibn al-ʿArabī over de betekenis van "daar is het aangezicht van Allah"?
Waarom zeggen al-Bayhaqī en al-Khaṭṭābī dat dhū al-jalāl het aangezicht beschrijft?
Hoeveel jaar gaf Ibn Taymiyya wie hem in al-ʿAqīda al-Wāsiṭiyya tegensprak?
De Ibn Rushd die over het aangezicht wordt geciteerd, is de grootvader, auteur van al-Bayān wa-t-Taḥṣīl.
Wat is de Maqām Ibrāhīm?
Wanneer worden de twee rakʿa's bij de Maqām gebeden?
Want de Profeet ﷺ liep na zijn ṭawāf naar de Maqām en bad daar twee rakʿa's (Muslim).
Onderdeel 8p. 13De meerderheid zegt dat de twee rakʿa's na de ṭawāf niet verplicht zijn, en volgens de notities is dat juister.
Op grond van de hadith van Ḍimām: «moet ik nog iets anders doen? Nee, tenzij vrijwillig».
Onderdeel 8p. 13Wat moet wie de twee rakʿa's nalaat doen, volgens wie ze verplicht noemt?
Originele tekst
Deze pagina bundelt de onderdelen van dit hoofdstuk. De tekst van elk onderdeel zoals in de notities:
- Onderdeel 5 الآية الرابعة عشرة: ﴿إن الله يأمركم أن تذبحوا بقرة﴾
Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 7–8
- Onderdeel 6 الآية 102 قوله تعالى: ﴿واتبعوا ما تتلو الشياطين على ملك سليمان﴾ الآية 102
Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 9–10
- Onderdeel 7 المسألة الثامنة عشرة قوله تعالى: ﴿ولله المشرق والمغرب﴾ الآية 115
Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 11–12
- Onderdeel 8 ﴿واتخذوا من مقام إبراهيم مصلّى﴾ (البقرة: 125)
Tekst van het onderdeel · Bladzijden: p. 13
Het hele hoofdstuk in de notities: Notities bij Aḥkām al-Qurʾān (Ibn al-ʿArabī) · p. 7–13 p. 7
Dit is een studiehulp; de notities zelf blijven de bron.