De Medinensische periode: moskee, verbroedering en toestemming tot strijd#
De moskee. Zijn eerste stap in Medina was de bouw van de moskee, op de plek waar zijn kameel neerknielde. Hij kocht de grond van twee weesjongens en droeg zelf bakstenen en stenen, terwijl hij zei: O Allah, er is geen leven behalve het leven van het Hiernamaals, vergeef dus de Anṣār en de Muhājirūn (het boek geeft geen bron).
De verbroedering. Hij verbond de Muhājirūn en de Anṣār als broeders, om elkaar te helpen en zelfs van elkaar te erven. Toen 'en bloedverwanten staan dichter bij elkaar' (al-Anfāl 8:75) kwam, ging het erven terug naar de verwanten.
Het verdrag. Hij sloot ook een verdrag dat oude vetes uit de jāhiliyya en stamtwisten wegnam, en zo ontstond een brede islamitische eenheid.
Toestemming tot strijd. Quraysh bleef dreigen. Volgens het boek schreven zij aan de mensen van Medina dat zij de Profeet ﷺ moesten bevechten of verdrijven, anders zouden zij hen aanvallen, en aan de Muhājirūn dat zij hen in Medina zouden vernietigen (het boek geeft hiervoor geen bron). In die omstandigheden kwam de toestemming om te strijden: al-Ḥajj 22:39 en 22:41.
Kernpunten
- De eerste daad in Medina was de bouw van de moskee, met de Profeet ﷺ zelf als bouwer.
- De verbroedering van Muhājirūn en Anṣār; het erven ervan werd later opgeheven.
- Een verdrag maakte een einde aan oude stamvetes.
- Toestemming tot strijd kwam in al-Ḥajj 22:39 na de dreigingen van Quraysh.
Bron: السيرة النبوية (١), les 13, vanaf p. 59.
Begrippen
- المؤاخاة al-muʾākhāh · de verbroedering
- het verbinden van Muhājirūn en Anṣār als broeders (les 13, p. 59)
- المهاجرون al-muhājirūn · de emigranten
- de moslims die uit Mekka naar Medina emigreerden (les 13, p. 59)
- الأنصار al-anṣār · de helpers
- de moslims van Medina die de emigranten opvingen (les 13, p. 59)
- الإذن بالقتال al-idhn bi-l-qitāl · toestemming tot strijd
- het vers dat de moslims toestond zich te verdedigen (les 13, p. 60)