De Grachtslag (al-Aḥzāb)#
De aanleiding. De joden van Banū n-Naḍīr, die uit Medina waren verdreven, wilden wraak. Hun leiders gingen naar Quraysh en sloten een overeenkomst, en daarna naar Ghaṭafān, aan wie zij de dadeloogst van een jaar uit Khaybar beloofden bij een overwinning. Zo trok in Shawwāl 5 AH een leger van tienduizend strijders onder Abū Sufyān ibn Ḥarb op.
De gracht. Salmān al-Fārisī stelde voor een gracht te graven aan de open zijde van Medina, en de Profeet ﷺ en de metgezellen namen dat aan. Een grote rots weerstond de houwelen; de Profeet ﷺ sloeg erop met 'bismillāh' en bij elke slag lichtte een vonk op, waarbij hij de paleizen van Syrië en Perzië noemde (het boek geeft geen bron).
Verraad en aanvallen. De polytheïsten konden de stad niet in, totdat Ḥuyayy ibn Akhṭab Banū Qurayẓa overhaalde hun verdrag met de moslims te verbreken. ʿIkrima ibn Abī Jahl en anderen kwamen over de gracht, maar ʿAlī wachtte hen op; sommigen werden gedood, anderen vluchtten.
De overwinning. De banden in het leger van de polytheïsten vielen uiteen en het vertrouwen tussen de stammen verdween. Allah stuurde een harde wind die hun tenten wegrukte en hun vuren doofde, en ze vluchtten naar Mekka. Volgens het boek was de Grachtslag geen veldslag maar een strijd van zenuwen en een beproeving van harten. Allah openbaarde al-Aḥzāb 33:23–26.
Kernpunten
- De Grachtslag (5 AH) kwam door het opstoken van Banū n-Naḍīr.
- Tienduizend strijders van Quraysh, Ghaṭafān en anderen.
- Op voorstel van Salmān al-Fārisī werd een gracht gegraven.
- Banū Qurayẓa verbrak het verdrag.
- Allah gaf de overwinning door verdeeldheid en een harde wind.
Bron: السيرة النبوية (١), les 17, vanaf p. 72.
Begrippen
- الخندق al-khandaq · de gracht
- de verdedigingsgracht aan de open zijde van Medina (les 17, p. 72)
- الأحزاب al-aḥzāb · de bondgenoten
- de verenigde stammen die Medina belegerden (les 17, p. 72)
- نقض العهد naqḍ al-ʿahd · verbreken van het verdrag
- wat Banū Qurayẓa deed tijdens de belegering (les 17, p. 73)
- المعاول al-maʿāwil · houwelen
- gereedschap om te graven en stenen te breken (les 17, p. 73)