Zijn omgang met de armen#
Naar hen omkijken. Een zwarte vrouw die de moskee veegde stierf zonder dat hij het hoorde. Hij zei: Hadden jullie het mij maar laten weten, liet zich naar haar graf brengen, bad daar en zei: Deze graven zijn vol duisternis voor hun bewoners, en Allah verlicht ze door mijn gebed over hen (Muslim) (p. 37).
Hun nood lenigen. Asmāʾ bint Abī Bakr vertelde dat az-Zubayr niets bezat behalve een waterkameel en een paard, en dat zij al het werk deed, tot de Profeet ﷺ haar een dienares gaf (al-Bukhārī en Muslim).
Respect. Toen ʿĀʾisha voorstelde een hagedis die hij niet at aan de armen te geven, zei hij: Geef hun niet te eten wat jullie zelf niet eten (Aḥmad; al-Albānī ḥasan), naar al-Baqara 2:267. Het slechtste eten is dat van een bruiloftsmaal waarvoor de rijken worden uitgenodigd en de armen worden overgeslagen (al-Bukhārī en Muslim; bij Muslim uitdrukkelijk als woorden van de Profeet ﷺ) (p. 38). Een kader vertelt dat ar-Rabīʿ ibn Khuthaym een verwarde man zoetigheid gaf en zei: 'Maar Allah weet het'; het boek geeft daarvoor geen bron.
Bij hen zitten. De arme muhājirūn zonder huis woonden in de moskee als 'aṣḥāb aṣ-ṣuffa'; hij zat bij hen (al-Bayhaqī), naar al-Kahf 18:28.
Hun nood boven die van zijn gezin. Toen ʿAlī en Fāṭima om een dienaar vroegen zei hij: Ik geef jullie niet terwijl de mensen van de ṣuffa krimpen van de honger (Aḥmad; Aḥmad Shākir ṣaḥīḥ).
Kernpunten
- Hij miste de vrouw die de moskee veegde en bad over haar graf.
- Geef armen niet wat je zelf niet zou eten.
- Een maal waarbij alleen rijken komen is het slechtste eten.
- Hij zat bij de mensen van de ṣuffa.
- Hij ging de honger van de ṣuffa voor op de wens van zijn eigen dochter.
Bron: السيرة النبوية (٣): التعاملات النبوية, les 11, vanaf p. 37.
Begrippen
- تقم المسجد taqummu l-masjid · de moskee vegen
- het werk van de zwarte vrouw die hij miste (les 11, p. 37)
- أهل الصفة ahl aṣ-ṣuffa · mensen van de ṣuffa
- arme muhājirūn zonder huis die in de moskee woonden (les 11, p. 38)
- الوليمة al-walīma · bruiloftsmaal
- het maal waarbij armen niet overgeslagen mogen worden (les 11, p. 38)