Zijn omgang met zijn kinderen en kleinkinderen#
Zijn kinderen. De Profeet ﷺ was het trouwst aan zijn familie. Hij had drie zonen: al-Qāsim, ʿAbd Allāh en Ibrāhīm; zij stierven jong. Volgens het juiste zijn aṭ-Ṭayyib en aṭ-Ṭāhir bijnamen van ʿAbd Allāh. Hij had vier dochters: Zaynab, Ruqayya, Umm Kulthūm en Fāṭima, allen van Khadīja (p. 23).
Liefde voor Fāṭima. ʿĀʾisha vertelde dat Fāṭima kwam lopen met een gang als die van haar vader. Hij verwelkomde haar met welkom, mijn dochter en liet haar naast zich zitten (Muslim). Het boek vraagt waar deze warmte is bij mannen die denken dat een nors gezicht bij mannelijkheid hoort, vooral tegenover dochters (p. 24).
Leiding naar het betere. Fāṭima klaagde over het werk aan de handmolen en vroeg om een dienares. Hij zei tegen haar en ʿAlī: Zal ik jullie wijzen op iets beters dan een dienaar? Als jullie gaan slapen, zeg dan vierendertig keer Allāhu akbar, drieëndertig keer subḥān Allāh en drieëndertig keer al-ḥamdu li-llāh (al-Bukhārī en Muslim). Hij waarschuwde haar ook: Fāṭima, red jezelf van het Vuur, want ik kan jullie niets baten bij Allah (al-Bukhārī en Muslim). An-Nawawī: vertrouw niet op je verwantschap met mij.
Zijn kleinkinderen (alleen ter kennisname). Het boek noemt acht kleinkinderen: al-Ḥasan, al-Ḥusayn en Muḥassin (zonen van ʿAlī en Fāṭima), Umm Kulthūm en Zaynab (dochters van ʿAlī en Fāṭima), ʿAbd Allāh ibn ʿUthmān (zoon van Ruqayya), en Umāma en ʿAlī, kinderen van Zaynab en Abū l-ʿĀṣ. Hij was teder voor hen, een uniek voorbeeld van vaderschap (p. 25).
Kernpunten
- Drie zonen die jong stierven en vier dochters, allen van Khadīja.
- Hij verwelkomde Fāṭima warm en liet haar naast zich zitten.
- Hij wees zijn dochter op dhikr als iets beters dan een dienaar.
- Verwantschap met de Profeet ﷺ redt niemand zonder eigen daden.
- Hij had acht kleinkinderen en was teder voor hen.
Bron: السيرة النبوية (٣): التعاملات النبوية, les 5, vanaf p. 23.
Begrippen
- صلة الرحم ṣilat ar-raḥim · familiebanden
- het onderhouden van de band met verwanten (les 5, p. 23)
- الرحى ar-raḥā · handmolen
- de molen waarvan Fāṭima klaagde over het werk (les 5, p. 24)
- الأحفاد al-aḥfād · kleinkinderen
- de kinderen van zijn dochters (les 5, p. 25)