Zijn omgang met niet-moslims#
Rechtvaardigheid. De islam regelt de omgang met niet-moslims op basis van rechtvaardigheid en zonder onrecht: 'Allah verbiedt jullie niet goed en rechtvaardig te zijn tegenover hen die niet tegen jullie strijden om de religie…' (al-Mumtaḥana 60:8). Wie een verdragspartner onrecht doet, zijn recht vermindert, hem boven zijn kunnen belast of iets van hem neemt zonder zijn instemming, tegen hem zal ik pleiten op de Dag van de Opstanding (Abū Dāwūd; al-Albānī ṣaḥīḥ). Wie een verdragspartner doodt, ruikt de geur van het Paradijs niet, terwijl die van veertig jaar afstand te ruiken is (al-Bukhārī) (p. 43).
Uitnodigen tot Allah. De Profeet ﷺ nodigde hen op verschillende manieren uit: met woorden, met sluitende bewijzen voor zijn zending, door de schoonheid van de islam te tonen en de overeenstemming van de Koran met de eerdere boeken vóór hun vervalsing. Een ongelovige met wijsheid en zachtheid uitnodigen is een van de grootste weldaden. Tegen ʿAlī bij Khaybar: Dat Allah door jou één man leidt, is beter voor je dan rode kamelen (al-Bukhārī en Muslim).
Bezorgdheid om hun redding. Hij verheugde zich toen de joodse jongen moslim werd (les 9). Toen men vroeg tegen de polytheïsten te smeken, zei hij: Ik ben niet gezonden om te vervloeken, maar als barmhartigheid (Muslim) (p. 44).
Kernpunten
- De omgang met niet-moslims berust op rechtvaardigheid (al-Mumtaḥana 60:8).
- Onrecht aan een verdragspartner is zwaar verboden; hem doden sluit van het Paradijs uit.
- De Profeet ﷺ nodigde hen met wijsheid en bewijzen uit tot de islam.
- Eén mens leiden is beter dan het kostbaarste bezit.
- Hij was gezonden als barmhartigheid, niet om te vervloeken.
Bron: السيرة النبوية (٣): التعاملات النبوية, les 14, vanaf p. 43.
Begrippen
- المعاهد al-muʿāhad · verdragspartner
- een niet-moslim met wie een verdrag of bescherming geldt (les 14, p. 43)
- حجيجه ḥajījuhu · zijn tegenpleiter
- de Profeet ﷺ pleit tegen wie de verdragspartner onrecht doet (les 14, p. 43)
- حمر النعم ḥumr an-naʿam · rode kamelen
- het kostbaarste bezit van de Arabieren (les 14, p. 43)