Het verbod om de metgezellen te beledigen#
De geleerden zijn het volgens het boek eens dat het verboden is de metgezellen te beledigen of aan te vallen (at-Tawba 9:100; al-Fatḥ 48:29). Ibn Kathīr: wee wie hen haat of beledigt. Beledig mijn metgezellen niet... (al-Bukhārī en Muslim) en alleen een gelovige houdt van de Anṣār en alleen een hypocriet haat hen (al-Bukhārī en Muslim, van al-Barāʾ).
Uitspraken van de salaf: Abū Zurʿa ar-Rāzī: wie een metgezel kleineert, is een zindīq. Mālik: wie de metgezellen uitscheldt, heeft geen deel aan de islam; wie wrok tegen hen voelt, valt onder al-Fatḥ 48:29. Aḥmad: wie een metgezel slecht noemt, wiens islam is verdacht.
Gevolgen van het beledigen (Ibn ʿUthaymīn): het treft niet alleen de metgezellen, maar ook de Profeet ﷺ (zijn naasten zouden de slechtsten zijn), de sharīʿa (zij hebben haar overgeleverd; vallen zij weg, dan valt het vertrouwen weg) en Allah Zelf (die hen koos).
Plichten van de moslim (kader, door ZAD gemarkeerd als 'alleen ter kennisname'): geloven dat zij de beste mensen na de Profeet ﷺ zijn; hun deugden erkennen; zwijgen over hun onenigheid; getuigen van het Paradijs voor wie de Profeet ﷺ dat beloofde; erkennen dat Abū Bakr, ʿUmar, ʿUthmān en ʿAlī de besten zijn; niemand boven zijn rang verheffen; van het huisgezin houden zonder overdrijving of verwaarlozing; geen onfeilbaarheid claimen; hen allen trouw zijn; en afstand nemen van wie hen beledigt.
Het midden (volgens het boek): de Khawārij verklaarden ʿAlī en de deelnemers aan de arbitrage ongelovig. De Rāfiḍa (sjiieten) overdreven over ʿAlī en het huisgezin door hun onfeilbaarheid en kennis van het verborgene toe te schrijven, en kleineerden de drie andere kaliefen, ʿĀʾisha, Ḥafṣa en de overige metgezellen. Ahl as-Sunna staan in het midden: zij houden van allen, geven ieder zijn plaats, zwijgen over hun geschillen en claimen geen onfeilbaarheid.
Ibn Kathīr merkt op dat ʿAlī in afschriften vaak als enige 'ʿalayhi s-salām' of 'karrama llāhu wajhahu' krijgt. De betekenis is juist, maar men moet de metgezellen gelijk behandelen; Abū Bakr, ʿUmar en ʿUthmān hebben er meer recht op.
Kernpunten
- Consensus over het verbod de metgezellen te beledigen.
- Uitspraken van Abū Zurʿa, Mālik en Aḥmad.
- Ibn ʿUthaymīn: beledigen raakt de metgezellen, de Profeet ﷺ, de sharīʿa en Allah.
- Tien plichten tegenover de metgezellen.
- Ahl as-Sunna als midden tussen Khawārij en Rāfiḍa.
- Ibn Kathīr over 'karrama llāhu wajhahu' alleen voor ʿAlī.
Bron: العقيدة (٤), les 18, vanaf p. 49.
Begrippen
- سب الصحابة sabb aṣ-ṣaḥāba · beledigen van de metgezellen
- volgens het boek verboden en een aanval op de religie zelf (les 18, p. 49)
- الزنديق az-zindīq · zindīq
- iemand die ongeloof verbergt; zo noemde Abū Zurʿa wie metgezellen kleineert (les 18, p. 49)
- الرافضة ar-rāfiḍa · de Rāfiḍa
- groep die volgens het boek overdrijft over ʿAlī en de andere metgezellen kleineert (les 18, p. 51)
- الوسطية al-wasaṭiyya · het midden
- de positie van Ahl as-Sunna tussen overdrijving en verwaarlozing (les 18, p. 51)