De houding van de moslim tegenover de onenigheid tussen de metgezellen#
De metgezellen waren mensen en niet onfeilbaar. Na de moord op ʿUmar ontstonden geschillen, die na de moord op ʿUthmān verergerden tot de gevechten van de Kameel en Ṣiffīn. Het boek noemt acht maatstaven voor de houding van de moslim:
- Zwijgen over wat er tussen hen gebeurde: niet uitgebreid ingaan op de details en ze niet verspreiden. Als mijn metgezellen genoemd worden, houd je in; als de sterren genoemd worden, houd je in; als de voorbeschikking genoemd wordt, houd je in (aṭ-Ṭabarānī; authentiek volgens al-Albānī). ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz: Allah heeft mijn hand van dat bloed gezuiverd; zou ik mijn tong er dan niet van zuiveren?
- Goed over hen denken. Aḥmad, gevraagd naar ʿAlī en Muʿāwiya: 'Ik zeg over hen alleen het goede.' Al-Qurṭubī: geen metgezel mag een zekere fout worden toegeschreven, want zij deden allen ijtihād en zochten Allah.
- Hen verontschuldigen en de beste uitleg zoeken. Yaḥyā ibn Abī Bakr al-ʿĀmirī: de weg van de kenners is verontschuldigen, de weg van de hypocrieten is fouten najagen.
- Voor hen bidden en vergeving vragen (al-Ḥashr 59:10). Ibn Baṭṭa: Allah wist dat zij zouden vechten en beval toch voor hen vergeving te vragen.
- Wat zij deden, kwam voort uit religieuze ijtihād, niet uit zucht naar macht. An-Nawawī: elke partij meende gelijk te hebben; sommigen hadden gelijk, anderen vergisten zich en zijn verontschuldigd.
- Alleen betrouwbare berichten aannemen. Ibn Taymiyya: van de berichten over hun fouten is een deel gelogen, een deel veranderd, en in wat klopt zijn zij verontschuldigd.
- Hun grote verdiensten erkennen; daarnaast is wat gebeurde vergeven. Ibn Taymiyya: wat zeker vaststaat over hun deugd, wordt niet weggenomen door twijfelachtige berichten.
- Hen allen trouw zijn en over allen 'raḍiya llāhu ʿanhum' zeggen. Abū ʿUthmān aṣ-Ṣābūnī beschrijft dit als het geloof van de salaf.
Kernpunten
- Acht maatstaven: zwijgen, goed denken, verontschuldigen, voor hen bidden, ijtihād, betrouwbare berichten, verdiensten erkennen, allen trouw zijn.
- Wie juist handelde, krijgt beloning; wie zich vergiste, is verontschuldigd (an-Nawawī).
- Veel berichten over hun fouten zijn volgens Ibn Taymiyya gelogen of veranderd.
Bron: العقيدة (٤), les 17, vanaf p. 46.
Begrippen
- ما شجر بين الصحابة mā shajara bayna ṣ-ṣaḥāba · de onenigheid tussen de metgezellen
- de geschillen en gevechten na de moord op ʿUthmān (les 17, p. 46)
- الاجتهاد al-ijtihād · eigen religieus oordeel
- inspanning om de juiste uitspraak te vinden; wie zich daarin vergist, is niet zondig (les 17, p. 48)
- الترضي at-taraḍḍī · 'raḍiya llāhu ʿanhu' zeggen
- om Allahs welbehagen voor de metgezellen vragen (les 17, p. 49)