Sūrat al-Māʿūn: wie de wees wegduwt (107:1–3)#
Sūrat al-Māʿūn is Mekkaans en telt zeven verzen. De lijst van lessen laat les 16 de eerste drie verzen behandelen en les 17 vers 4 tot 7.
De loochenaar (107:1). 'Heb je hem gezien die de religie loochent?' Het gaat om wie de afrekening, de vergelding en de beloning en straf van Allah loochent, en daarom Zijn geboden en verboden niet gehoorzaamt.
De wees en de arme (107:2–3). Hij is het die de wees van zijn recht wegduwt, hem onrecht doet en onderdrukt. Ad-daʿʿ is hard wegduwen (vgl. aṭ-Ṭūr 52:13). Hij voedt de arme niet en spoort ook anderen er niet toe aan, omdat hij de vergelding loochent en gierig is.
De vorm van de werkwoorden. Yukadhdhibu, yadaʿʿu en yaḥuḍḍu staan in de onvoltooide vorm. Volgens het boek geeft dat aan dat deze persoon dit herhaaldelijk en blijvend doet.
Kernpunten
- Het loochenen van de vergelding leidt tot ongehoorzaamheid.
- Wie de vergelding loochent, duwt de wees hard weg van zijn recht.
- Hij voedt de arme niet en spoort anderen er niet toe aan.
- De onvoltooide werkwoordsvorm wijst op herhaling en volharding.
Bron: التفسير (٤), les 16, vanaf p. 65.
Begrippen
- الدين ad-dīn · de vergelding
- de afrekening, beloning en straf (les 16, p. 65)
- يدع yaduʿʿu · duwt hard weg
- met geweld wegduwen van zijn recht (les 16, p. 65)
- يحض yaḥuḍḍu · spoort aan
- anderen aanzetten tot iets, hier het voeden van de arme (les 16, p. 65)