Islamitische opvoeding (1) – De rechten

PDF downloaden

Bron: Zad-reeks (سلسلة زاد العلمية), samengesteld door Zad Group. Dit is een studiesamenvatting, niet de tekst van het boek.

Studeer heel eenheid 3 Schema’s, begrippen, hadith, personen en een toets voor alle lessen samen →

Het recht van de kinderen op hun ouders

Allah vraagt de vader op de Dag des Oordeels naar zijn kind, nog vóór Hij het kind naar zijn vader vraagt. De vader heeft een recht op zijn zoon, en de zoon heeft ook een recht op zijn vader (al-ʿAnkabūt 29:8, at-Taḥrīm 66:6). Volgens het boek komt Allahs aanbeveling aan de ouders over hun kinderen zelfs vóór die aan de kinderen over hun ouders. Wie zijn kind niets nuttigs leert en het verwaarloost, doet het grote schade. De meeste kinderen raken volgens het boek bedorven door hun ouders. Een vader verweet zijn zoon dat hij hem kwaad deed. De zoon antwoordde: «Vader, u deed mij kwaad toen ik klein was, dus deed ik u kwaad toen u oud werd.»

Inleidende punten (alleen ter kennisname, p. 40).

  • Het kind is een toevertrouwd goed waarover de ouders ondervraagd worden: De man is herder over zijn gezin en wordt erover ondervraagd; de vrouw is herder over het huis van haar man en zijn kind en wordt erover ondervraagd (al-Bukhārī en Muslim).
  • De opvoeding ligt in de eerste plaats bij de ouders (at-Taḥrīm 66:6). Ibn ʿUmar: «Voed je zoon op, want je wordt over hem ondervraagd: hoe heb je hem opgevoed en wat heb je hem geleerd?» (al-Bayhaqī in Shuʿab al-īmān).
  • Ouders hebben de meeste invloed op wat het kind wordt: Elk kind wordt geboren met de fiṭra; zijn ouders maken er een jood, christen of vuuraanbidder van (Muslim).

Twee soorten rechten: vóór en na het bestaan van het kind.

Vóór het kind er is:

  1. Een goede partner kiezen: Een vrouw wordt getrouwd om vier dingen: haar bezit, haar afkomst, haar schoonheid en haar godsdienst; kies degene met godsdienst (al-Bukhārī en Muslim). Zo hoeft het kind zich niet voor zijn moeder te schamen. Ook de vrouw kiest een vrome man die ze de opvoeding kan toevertrouwen.
  2. Bidden om vrome nakomelingen, zoals Zakariyyā deed (Āl ʿImrān 3:38).
  3. De naam van Allah noemen bij de gemeenschap: Als iemand bij zijn vrouw komt en zegt: In de naam van Allah, o Allah, houd de duivel bij ons weg en houd de duivel weg van wat U ons schenkt, dan zal de duivel een kind dat zij krijgen nooit schaden (al-Bukhārī en Muslim).

Na de geboorte:

  1. Allah vragen om het kind vroom te maken (al-Aḥqāf 46:15).
  2. Het kind een goede naam geven. De Profeet ﷺ gaf kinderen van metgezellen goede namen en veranderde namen met een lelijke betekenis.
  3. Barmhartig en zacht zijn. Anas: «Ik zag niemand barmhartiger voor kinderen dan de Boodschapper van Allah ﷺ» (Muslim). Bedoeïenen zeiden dat zij hun kinderen nooit kusten. Hij antwoordde: Wat kan ik doen als Allah de barmhartigheid uit jullie heeft weggenomen? (Muslim).
  4. Zijn waardigheid bewaren: het niet uitschelden, niet hardhandig behandelen en niet slaan.
  5. Zijn recht op spel respecteren, met wat het nut brengt en niet schaadt. Al-Ḥasan en al-Ḥusayn sprongen op de rug van de Profeet ﷺ als hij in sujūd was. Hij zette ze zacht neer, en na het gebed nam hij ze op zijn schoot (Aḥmad, ḥasan volgens al-Albānī). Je neemt het kind niet mee naar plaatsen met verboden dingen.

Kernpunten

  • Allah vraagt de ouders naar hun kinderen.
  • Een kind wordt geboren met de fiṭra; de ouders bepalen veel van wat het wordt.
  • Rechten vóór de geboorte: een vrome partner, gebed om vrome kinderen, de naam van Allah bij de gemeenschap.
  • Rechten na de geboorte: gebed, een goede naam, barmhartigheid, waardigheid en spel.

Bron: التربية الإسلامية (١) الحقوق, les 11, vanaf p. 40.

Begrippen

الفطرة al-fiṭra · aangeboren natuur
de zuivere aanleg waarmee elk kind geboren wordt (les 11, p. 40)
الأمانة al-amāna · toevertrouwd goed
het kind, waarover de ouders verantwoording afleggen (les 11, p. 40)
ذات الدين dhāt ad-dīn · de vrouw met godsdienst
de vrome vrouw die je als partner kiest (les 11, p. 41)
الذرية الصالحة adh-dhurriyya aṣ-ṣāliḥa · vrome nakomelingen
waar Zakariyyā om bad (les 11, p. 41)