Islamitische opvoeding (1) – De rechten

PDF downloaden

Bron: Zad-reeks (سلسلة زاد العلمية), samengesteld door Zad Group. Dit is een studiesamenvatting, niet de tekst van het boek.

Studeer heel eenheid 1 Schema’s, begrippen, hadith, personen en een toets voor alle lessen samen →

Het recht van de Profeet ﷺ op zijn gemeenschap

De Profeet ﷺ heeft veel rechten. Ze rusten op geloof in hem, hem eren, hem steunen en hem volgen. De metgezellen deden dat het best. ʿUrwa ibn Masʿūd ath-Thaqafī was toen nog geen moslim. Hij vertelde zijn volk dat hij bij Caesar, Chosroës en de Negus was geweest, maar nooit een koning had gezien die zo geëerd werd als Muḥammad door zijn metgezellen (al-Bukhārī).

De grootste rechten.

  1. Geloven dat hij profeet is (al-Aʿrāf 7:158). Zonder dat is het geloof niet geldig.
  2. Geloven dat hij de laatste profeet is (al-Aḥzāb 33:40): Er zullen in mijn gemeenschap dertig leugenaars komen die allemaal beweren profeet te zijn, terwijl ik het zegel der profeten ben; er komt geen profeet na mij (Abū Dāwūd en Ibn Māja, ṣaḥīḥ volgens al-Albānī). Volgens het boek zijn de moslims het erover eens dat wie na hem het profeetschap claimt een ongelovige is.
  3. Geloven dat hij beschermd is tegen fouten: in de claim van de boodschap (al-Ḥāqqa 69:44–47), in het overbrengen ervan (an-Najm 53:3–4), en tegen ongeloof, shirk en schandelijke daden, vóór en na de roeping (an-Najm 53:2).
  4. Geloven dat zijn wet alle eerdere wetten opheft (Āl ʿImrān 3:85). Volgens het boek is wie nu een andere godsdienst dan de islam aanvaardbaar noemt een ongelovige, omdat hij de Koran tegenspreekt.
  5. Geloven dat hij de boodschap volledig heeft overgebracht. In de Afscheidspreek vroeg hij wat de mensen over hem zouden zeggen. Zij getuigden dat hij had overgebracht en geadviseerd, en hij zei drie keer, wijzend naar de hemel: O Allah, wees getuige (Muslim).
  6. Geloven dat zijn boodschap voor mensen én djinn geldt (al-Aḥqāf 46:29): Ik ben gezonden naar de mensen in het algemeen, terwijl eerdere profeten alleen naar hun eigen volk gingen (al-Bukhārī en Muslim, van Jābir).
  7. Niet overdrijven in zijn persoon of beschrijving. Iemand noemde hem "onze heer en zoon van onze heer". Hij antwoordde: Ik ben Muḥammad ibn ʿAbd Allāh, de dienaar van Allah en Zijn Boodschapper; ik wil niet dat jullie mij boven de plaats verheffen die Allah mij gaf (Aḥmad en an-Nasāʾī in al-Kubrā, ṣaḥīḥ volgens al-Albānī). Ook zei hij: Prijs mij niet overdreven, zoals de christenen de zoon van Maryam deden; ik ben slechts Zijn dienaar, zeg dus: de dienaar van Allah en Zijn Boodschapper (al-Bukhārī).

Overdrijving in zijn persoon (p. 17). Het boek noemt als valse opvattingen dat hij geen mens zou zijn (Fuṣṣilat 41:6), dat hij het eerste schepsel zou zijn, dat hij uit licht geschapen zou zijn of dat alles uit zijn licht geschapen zou zijn. Het eerste mensenschepsel is Ādam, en de engelen zijn uit licht geschapen (Muslim). Het "licht" in de Koran slaat op de leiding die hem geopenbaard is. Ook vals is dat alles om hem geschapen zou zijn (adh-Dhāriyāt 51:56), en dat hij geen schaduw had of dat vliegen niet op hem gingen zitten. Ibn ʿUthaymīn noemt dat leugens.

Kernpunten

  • Zijn rechten rusten op geloof, eerbied, steun en navolging.
  • Hij is de laatste profeet; zijn wet heft alle eerdere op.
  • Hij is beschermd tegen fouten bij het overbrengen en heeft de boodschap volledig overgebracht.
  • Zijn boodschap geldt voor alle mensen en djinn.
  • Overdrijving over hem is verboden: hij is dienaar van Allah en Zijn Boodschapper.

Bron: التربية الإسلامية (١) الحقوق, les 3, vanaf p. 14.

Begrippen

خاتم النبيين khātam an-nabiyyīn · zegel der profeten
de laatste profeet; na hem komt er geen profeet (les 3, p. 14)
العصمة al-ʿiṣma · bescherming tegen fouten
dat de Profeet ﷺ in het overbrengen van de openbaring niet dwaalt (les 3, p. 15)
النسخ an-naskh · opheffing
zijn wet vervangt alle eerdere wetten (les 3, p. 15)
الإطراء al-iṭrāʾ · overdreven lof
lof die verder gaat dan wat past; door hem verboden (les 3, p. 16)
الغلو al-ghuluww · overdrijving
iemand boven de plaats verheffen die Allah hem gaf (les 3, p. 16)