Het recht van Allah op Zijn dienaren#
In de inleiding (p. 7–8) legt het boek uit dat de mens van nature een gemeenschapswezen is. Wie met anderen leeft, krijgt rechten en plichten, elk naar de mate van nabijheid. Salmān zei tegen Abū d-Dardāʾ dat zijn Heer, zijn eigen ziel en zijn gezin elk een recht op hem hebben, en dat hij ieder het zijne moest geven. De Profeet ﷺ zei daarop: Salmān heeft de waarheid gesproken (al-Bukhārī).
Het eerste en grootste recht. De rechten van Allah kennen is volgens het boek de hoogste plicht. Zijn recht gaat vóór dat van ieder ander, en wie het vervult, doet waarvoor hij geschapen is. Dat recht komt neer op: Hem alleen aanbidden en niets met Hem gelijkstellen (an-Nisāʾ 4:36, al-Baqara 2:21–22, adh-Dhāriyāt 51:56). Ibn Kathīr legt uit dat Allah de mens uit het niets schiep en hem zegeningen gaf, en daarom alleen Hij aanbidding verdient.
De hadith van Muʿādh. Muʿādh ibn Jabal zat achter de Profeet ﷺ op een ezel. Die vroeg hem wat het recht van Allah op de dienaren is, en wat het recht van de dienaren op Allah is: Het recht van Allah op de dienaren is dat zij Hem aanbidden en niets met Hem gelijkstellen, en het recht van de dienaren op Allah is dat Hij niemand straft die niets met Hem gelijkstelt. Muʿādh vroeg of hij het de mensen mocht vertellen. Het antwoord was: Vertel het hun niet, anders gaan zij erop leunen (al-Bukhārī en Muslim).
Wat aanbidding is. In de taal betekent ʿibāda zich onderwerpen en zich nederig maken; een "begaan pad" (ṭarīq muʿabbad) is een platgetreden weg. Ibn Taymiyya noemt aanbidding een verzamelnaam voor alles wat Allah liefheeft en waarmee Hij tevreden is, aan woorden en daden, innerlijk en uiterlijk.
Waaruit het recht van Allah bestaat. (1) In Hem geloven (al-Ḥadīd 57:7). (2) Hem alleen aanbidden en alles daarnaast laten. (3) Geloven in Zijn namen en eigenschappen zoals Koran en soenna ze noemen en de vroege generaties ze begrepen (Ṭā Hā 20:110), en dat niets op Hem lijkt (ash-Shūrā 42:11). (4) Hem eren en ontzag voor Hem hebben (Nūḥ 71:13).
Kernpunten
- Wie met anderen leeft, heeft rechten en plichten naar de mate van nabijheid.
- Het recht van Allah gaat vóór elk ander recht.
- Dat recht is: Hem alleen aanbidden en niets met Hem gelijkstellen.
- Aanbidding is alles wat Allah liefheeft, innerlijk en uiterlijk, in woord en daad.
- Tot Zijn recht horen geloof, aanbidding, geloof in Zijn namen en eigenschappen, en ontzag.
Bron: التربية الإسلامية (١) الحقوق, les 1, vanaf p. 9.
Begrippen
- حق الله على العباد ḥaqq Allāh ʿalā l-ʿibād · het recht van Allah op de dienaren
- dat zij Hem alleen aanbidden zonder iets met Hem gelijk te stellen (les 1, p. 9)
- العبادة al-ʿibāda · aanbidding
- in de taal onderwerping; in de sharia alles wat Allah liefheeft aan woorden en daden (les 1, p. 9)
- الإشراك al-ishrāk · gelijkstellen (shirk)
- iets of iemand naast Allah aanbidden (les 1, p. 9)
- الوقار al-waqār · ontzag, eerbied
- Allah eren en Zijn grootheid vrezen (Nūḥ 71:13) (les 1, p. 10)