Toepassingen: namen van Allah#
Het boek geeft voorbeelden van namen en eigenschappen met bewijs uit Koran en Sunna.
Namen:
- al-Ḥayy al-Qayyūm (de Levende, de Zelfstandige): al-Baqara 2:255; Anas ibn Mālik: de Profeet ﷺ zei tegen Fāṭima dat zij 's ochtends en 's avonds moest zeggen: O Levende, o Zelfstandige, bij Uw barmhartigheid vraag ik hulp; maak al mijn zaken goed en laat mij geen oogwenk aan mezelf over (al-Ḥākim; ḥasan volgens al-Albānī).
- al-Ḥamīd (de Lofwaardige): al-Baqara 2:267; de hadith van Kaʿb ibn ʿUjra over het tashahhud: … zoals U zegen gaf aan Ibrāhīm en de familie van Ibrāhīm; U bent waarlijk Lofwaardig, Glorierijk (al-Bukhārī en Muslim).
- ar-Raḥmān ar-Raḥīm: al-Fātiḥa 1:2–3; bij het verdrag van al-Ḥudaybiya liet de Profeet ﷺ zijn schrijver In de naam van Allah, de Erbarmer, de Meest Barmhartige opschrijven (Muslim).
- al-Ḥalīm (de Verdraagzame): Fāṭir 35:41; Ibn ʿAbbās: bij benauwdheid zei de Profeet ﷺ: er is geen god dan Allah, de Geweldige, de Verdraagzame (al-Bukhārī en Muslim).
Eigenschappen:
- Macht (al-qudra), een wezenseigenschap (dhātiyya: onlosmakelijk van Allahs wezen): al-Baqara 2:20; ʿUthmān ibn Abī al-ʿĀṣ klaagde over pijn; de Profeet ﷺ zei hem zijn hand op de pijnlijke plek te leggen, drie keer 'bismillāh' te zeggen en zeven keer: ik zoek bescherming bij Allahs macht en vermogen tegen het kwaad van wat ik voel en vrees (Muslim).
- Kennis (al-ʿilm), een wezenseigenschap: al-Baqara 2:255; Jābir over het istikhāra-gebed: O Allah, ik vraag U om het goede door Uw kennis en om vermogen door Uw macht (al-Bukhārī).
Kernpunten
- Vier (paren van) namen met Koran- en hadithbewijs.
- Macht en kennis als wezenseigenschappen.
- Definitie van dhātiyya: onlosmakelijk van het wezen.
Bron: العقيدة (٢), les 14, vanaf p. 62.
Begrippen
- الحي القيوم al-Ḥayy al-Qayyūm · de Levende, de Zelfstandige
- namen van Allah (al-Baqara 2:255) (les 14, p. 62)
- الحليم al-Ḥalīm · de Verdraagzame
- naam van Allah (Fāṭir 35:41) (les 14, p. 63)
- صفة ذاتية ṣifa dhātiyya · wezenseigenschap
- onlosmakelijk van Allahs wezen, zoals macht en kennis (les 14, p. 63)