Zijn lach, glimlach en grapjes#
Glimlachen. Je glimlach naar je broeder is liefdadigheid (at-Tirmidhī, ḥasan). Onderschat geen enkele goede daad, al is het je broeder met een vrolijk gezicht tegemoet treden (Muslim). ʿAbd Allāh ibn al-Ḥārith ibn Jazʾ: ik heb niemand gezien die meer glimlachte dan de Boodschapper van Allah ﷺ, en zijn lach was alleen een glimlach (Aḥmad en at-Tirmidhī). Jarīr: sinds ik moslim werd, weigerde hij mij nooit toegang en zag hij mij nooit zonder te glimlachen (al-Bukhārī en Muslim). Jābir ibn Samura: hij zweeg veel, en als zijn metgezellen lachten, glimlachte hij (Aḥmad). Ibn Ḥajar: meestal glimlachte hij, soms lachte hij; afgeraden is alleen veel of overdreven lachen, want dat neemt de waardigheid weg.
Glimlachen naar wie hem kwaad doet. Een bedoeïen trok zo hard aan zijn mantel dat de rand een striem op zijn schouder liet, en vroeg om geld. Hij keek om, lachte en liet hem iets geven (al-Bukhārī en Muslim, van Anas).
Grapjes. Grappen is vrolijk omgaan met anderen zonder hen te kwetsen. Ik zeg alleen de waarheid, zei hij toen men opmerkte dat hij grapjes maakte (at-Tirmidhī in ash-Shamāʾil, ṣaḥīḥ). Tegen het broertje van Anas: Abū ʿUmayr, wat is er met het vogeltje gebeurd? (al-Bukhārī en Muslim). Hij omhelsde de bedoeïen Zāhir van achteren en riep: wie koopt deze slaaf? Zāhir zei: dan zal ik weinig waard blijken. Hij antwoordde: maar bij Allah ben je veel waard (Aḥmad; al-Arnaʾūṭ: keten ṣaḥīḥ). Tegen een oude vrouw zei hij: geen oude vrouw komt het Paradijs binnen. Ze ging huilend weg; hij legde uit dat ze er niet als oude vrouw binnenkomt (al-Wāqiʿa 56:35–37) (al-Albānī ḥasan in Mukhtaṣar ash-Shamāʾil; overgeleverd van al-Ḥasan).
Voorwaarden. Grappen mag zonder leugen, zonder iemand bang te maken en zonder spot met de religie. Abū Salama ibn ʿAbd ar-Raḥmān: de metgezellen droegen gedichten voor, maar als iets van hun religie werd gevraagd, werden ze uiterst ernstig (al-Bukhārī in al-Adab al-mufrad). Ibn ʿUmar: ze lachten, en het geloof in hun hart was groter dan een berg (ʿAbd ar-Razzāq). Liegen om te laten lachen mag niet: wee hem die vertelt en liegt om de mensen te laten lachen; wee hem, wee hem (Aḥmad en Abū Dāwūd; al-Albānī ḥasan).
Kernpunten
- Glimlachen is liefdadigheid; hij glimlachte meer dan wie ook.
- Meestal glimlachte hij; veel lachen neemt de waardigheid weg.
- Hij glimlachte zelfs naar wie hem ruw behandelde.
- Hij maakte grapjes, maar zei alleen de waarheid.
- Grappen zonder leugen, angst of spot met de religie.
Bron: السيرة النبوية (٢): الشمائل النبوية, les 15, vanaf p. 46.
Begrippen
- التبسم at-tabassum · glimlach
- lachen zonder geluid; zijn gewone lach (les 15, p. 46)
- المزاح al-mizāḥ · grapjes
- vrolijk omgaan met anderen zonder hen te kwetsen (les 15, p. 47)
- النغير an-nughayr · vogeltje
- klein vogeltje, lijkt op een mus (les 15, p. 47)
- عربا أترابا ʿuruban atrāban · liefdevol en even oud
- vrouwen van het Paradijs (al-Wāqiʿa 56:37) (les 15, p. 48)