Sūrat al-Fajr: de eden en de vernietigde volken#
Sūrat al-Fajr is Mekkaans. Jābir vertelde dat Muʿādh een gebed leidde en het lang maakte; een man bad apart in een hoek van de moskee en ging weg. Muʿādh noemde hem een hypocriet. De jonge man klaagde bij de Profeet ﷺ, die zei: Breng jij mensen in beproeving, Muʿādh? Waarom niet 'Sabbiḥi sma rabbika l-aʿlā', 'Wa-sh-shamsi wa-ḍuḥāhā', 'Wa-l-fajr' en 'Wa-l-layli idhā yaghshā'? (an-Nasāʾī, met een authentieke keten).
De eden (89:1–5). Allah zweert bij de dageraad, het licht dat in het oosten opkomt vlak voor zonsopgang; bij tien nachten: de eerste tien van Dhū l-Ḥijja (ook gezegd: de laatste tien van Ramadan). In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī staat van Ibn ʿAbbās dat de Profeet ﷺ zei: er zijn geen dagen waarin goede daden beter zijn dan in deze, dat wil zeggen de tien van Dhū l-Ḥijja. Zij vroegen: ook de jihad niet? Hij zei: ook de jihad niet, behalve een man die met zijn leven en bezit uittrok en met niets terugkwam. Allah zweert verder bij het even en het oneven (aanbiddingen, dagen en meer) en bij de nacht wanneer hij voorttrekt; de nacht loopt in de sharīʿa van maghrib tot de dageraad. 'Is dat een eed voor wie ḥijr heeft?' Al-ḥijr is het verstand; het heet zo omdat het de mens weerhoudt van wat niet past (ḥajr is verhinderen).
ʿĀd, Thamūd en Firʿawn (89:6–14). 'Zie je niet hoe je Heer met ʿĀd handelde?' Allah stuurde Hūd naar hen; zij logenden hem, Allah redde hem en de gelovigen en vernietigde hen met een ijskoude storm (al-Ḥāqqa 69:7). Allah noemt hun verhaal vaak opdat de gelovigen lering trekken; de aanspraak is voor iedereen tot wie de Koran zich richt, mensen en djinn. Iram is een stam van ʿĀd, 'met de zuilen': sterke bouwwerken en hoge pilaren, zoals nergens gemaakt. Thamūd, het volk van Ṣāliḥ, hakte rotsen uit in de vallei als woningen (ash-Shuʿarāʾ 26:149). Firʿawn had 'palen': legers die zijn bevel versterkten. Zij allen waren tiranniek, verspreidden ongeloof en zonden en hielden mensen af van Allahs weg. Toen sloeg Allah hen met een zweep van straf. 'Je Heer ligt zeker op de loer': Hij ziet en hoort, geeft even uitstel en grijpt dan als een Machtige.
Lessen (p. 60). (1) De mens kan 'scheppen' genoemd worden, zoals de Profeet ﷺ over de afbeelders zei: tegen hen wordt gezegd: maak levend wat jullie schiepen (al-Bukhārī en Muslim). Maar Allahs scheppen is voortbrengen uit niets; dat van anderen is slechts omzetten van wat bestaat. (2) Allah zweert bij de nacht vanwege de aanbidding in zijn uren (maghrib, ʿishāʾ, nachtgebed, witr) en omdat Allah elke nacht neerdaalt naar de laagste hemel als het laatste derde rest en zegt: wie vraagt Mij, dan geef Ik hem; wie roept Mij aan, dan verhoor Ik hem; wie vraagt Mij om vergeving, dan vergeef Ik hem (al-Bukhārī en Muslim). (3) Volgens het boek wordt deze umma niet vernietigd zoals de vroegere volken, maar kan zij te gronde gaan doordat haar leden elkaar bestrijden met oorlogen, haat en beproevingen; daarom moeten we beproevingen vermijden, de zichtbare en de verborgen.
Kernpunten
- Allah zweert bij de dageraad, de tien nachten, het even en oneven en de nacht.
- De tien dagen van Dhū l-Ḥijja zijn de beste dagen voor goede daden.
- Al-ḥijr is het verstand, dat de mens weerhoudt van wat niet past.
- ʿĀd, Thamūd en Firʿawn werden vernietigd om hun tirannie en verderf.
- Allahs scheppen is uit niets; het 'scheppen' van mensen is omzetten van wat bestaat.
Bron: التفسير (٣), les 15, vanaf p. 57.
Begrippen
- الفجر al-fajr · de dageraad
- het licht in het oosten vlak voor zonsopgang (les 15, p. 58)
- الشفع والوتر ash-shafʿ wa-l-watr · het even en het oneven
- alles wat even en oneven is: aanbiddingen, dagen en meer (les 15, p. 58)
- الحجر al-ḥijr · het verstand
- wat de mens weerhoudt van ongepast gedrag; ḥajr is verhinderen (les 15, p. 58)
- إرم ذات العماد Iram dhāt al-ʿimād · Iram met de zuilen
- een stam van ʿĀd met sterke bouwwerken en hoge pilaren (les 15, p. 59)
- جابوا الصخر jābū ṣ-ṣakhr · hakten de rotsen uit
- Thamūd hakte met kracht woningen in de rotsen (les 15, p. 59)
- المرصاد al-mirṣād · op de loer
- Allah ziet en hoort, geeft uitstel en grijpt dan (les 15, p. 59)