De beproeving met rijkdom en armoede#
De verkeerde maatstaf (89:15–16). Beproeving van Allah komt met goed en met kwaad: 'Wij beproeven jullie met kwaad en goed' (al-Anbiyāʾ 21:35). Allah beschrijft hier de aard van de mens: onwetend en onrechtvaardig. Hij denkt dat Allah hem eert wanneer Hij hem wereldse gunsten geeft, als bewijs van zijn aanzien en nabijheid bij Allah. En wanneer Allah hem beproeft met armoede en zijn voorziening beperkt, denkt hij dat dit vernedering is. 'Kallā': het is niet zoals de mens denkt. Niet iedereen die gunsten kreeg is geëerd bij Allah, en niet iedereen met beperkte voorziening is vernederd.
De werkelijke fouten (89:17–20). 'Integendeel, jullie eren de wees niet': wanneer Allah jullie eert met gunsten, zijn jullie niet zacht voor wie eer verdient, de wezen, wier harten gebroken zijn door het verlies van hun vader. 'Jullie sporen elkaar niet aan de arme te voeden', en wie anderen niet aanspoort, voedt zelf ook niet. 'Jullie verslinden de erfenis gulzig': jullie eigen deel en dat van anderen. 'Jullie houden heel veel van geld': jamm wordt gezegd van water dat zich in een bak verzamelt. De betekenis: jullie begrijpen de beproeving niet en proberen haar niet te overstijgen door wezen te eren en elkaar aan te sporen armen te voeden; integendeel, jullie eten de erfenis op en houden van geld.
Lessen (p. 63). (1) De mens kijkt beperkt: hij maakt rijkdom en armoede tot maatstaf bij Allah, omdat geld en aanzien voor mensen alles zijn; vandaar zijn gretigheid naar geld en zijn grote liefde ervoor. (2) Iemands toestand in de wereld zegt niets over zijn rang bij Allah: menig man die in gunsten leeft, is verwenst bij Allah, en menig man met verward haar en stof bedekt, die bij deuren wordt weggestuurd, zou als hij bij Allah zou zweren, door Allah gelijk krijgen.
Activiteit (p. 64). Het boek vraagt naar de twee soorten beproeving, naar de vier eigenschappen van de misdadigers en hun gevaar voor de samenleving, en naar vijf lessen uit de verzen.
Kernpunten
- Beproeving komt met goed en met kwaad.
- Rijkdom is geen teken van eer bij Allah, armoede geen teken van vernedering.
- Het werkelijke falen: wezen niet eren en elkaar niet aansporen armen te voeden.
- Gulzig de erfenis opeten en te veel van geld houden worden afgekeurd.
- Iemands toestand in de wereld zegt niets over zijn rang bij Allah.
Bron: التفسير (٣), les 16, vanaf p. 62.
Begrippen
- الابتلاء al-ibtilāʾ · de beproeving
- Allahs beproeving, met goed of met kwaad (les 16, p. 62)
- قدر عليه رزقه qadara ʿalayhi rizqahu · zijn voorziening beperken
- de voorziening van iemand krap maken (les 16, p. 62)
- التراث at-turāth · de erfenis
- wat van de overledene wordt nagelaten (les 16, p. 63)
- لما lammā · gulzig
- hevig eten: het eigen deel en dat van anderen (les 16, p. 63)
- جما jammā · heel veel
- veel en opgehoopt, zoals water dat zich in een bak verzamelt (les 16, p. 63)