'De Boodschapper gelooft…'#
'De Boodschapper gelooft in wat hem van zijn Heer is neergezonden, en de gelovigen ook': hij geloofde in het Boek en de wijsheid (Koran en Sunna) met een geloof dat aanvaarding en overgave inhoudt. Volgens het boek is louter bevestigen niet genoeg: Abū Ṭālib erkende de zending, maar aanvaardde en volgde haar niet, en het hielp hem niet. Geloof is in de sharīʿa 'erkenning die aanvaarding en overgave inhoudt'.
'Van zijn Heer' wijst op de meest bijzondere heerschappij. In een kader (gemarkeerd als 'alleen ter kennisname'): Allahs heerschappij is algemeen (over alle schepselen, al-Fātiḥa 1:2), bijzonder (over de gelovigen, al-Baqara 2:201) en meest bijzonder (over de boodschappers, al-Aʿrāf 7:122 'de Heer van Mūsā en Hārūn'). Zo ook dienaarschap: algemeen (Maryam 19:93), bijzonder (al-Furqān 25:63) en meest bijzonder (al-Furqān 25:1 'Zijn dienaar').
'Ieder gelooft in Allah, Zijn engelen, Zijn Boeken en Zijn boodschappers'. Dat omvat geloof in Allahs bestaan, heerschappij, godheid, namen en eigenschappen, zonder vergelijking of ontkenning; in de engelen; in de Boeken, waarvan wij volgens het boek bij naam alleen de Koran, de Tora, het Evangelie, de Psalmen en de bladen van Ibrāhīm en Mūsā kennen; en in alle boodschappers. 'Wij maken geen onderscheid tussen Zijn boodschappers', anders dan de mensen van het Boek die in sommigen geloofden en anderen verwierpen. Volgens het boek is ongeloof in één profeet ongeloof in alle, en zelfs in Allah.
'Zij zeggen: wij horen en wij gehoorzamen': dat moet de houding van een moslim zijn tegenover Allahs geboden en verboden. 'Uw vergeving, onze Heer': omdat iedere dienaar tekortschiet. Wat men mensen verschuldigd is, moet men volgens het boek in dit leven teruggeven. 'Naar U is de terugkeer': Hij rekent af met alle schepselen.
Lessen uit 2:284–285: Allahs kennis omvat alles (Āl ʿImrān 3:29; Ṭā Hā 20:7); de dienaar wordt afgerekend, dus reken jezelf eerst af; Allahs wil gaat samen met wijsheid (al-Insān 76:30); horen en gehoorzamen kenmerkt de gelovigen (an-Nūr 24:51–52; al-Aḥzāb 33:36).
Kernpunten
- Geloof is erkenning met aanvaarding en overgave, niet alleen weten.
- Heerschappij en dienaarschap: algemeen, bijzonder en meest bijzonder.
- Geen onderscheid tussen de boodschappers: ongeloof in één is ongeloof in allen.
- De gelovige zegt 'wij horen en gehoorzamen' en vraagt om vergeving.
Bron: التفسير (١), les 22, vanaf p. 70.
Begrippen
- الإيمان al-īmān · geloof
- erkenning die aanvaarding en overgave inhoudt (les 22, p. 70)
- الإذعان al-idhʿān · overgave
- zich onderwerpen en volgen (les 22, p. 70)
- الربوبية الخاصة ar-rubūbiyya al-khāṣṣa · bijzondere heerschappij
- Allahs zorg voor de gelovigen; de meest bijzondere is voor de boodschappers (les 22, p. 70)
- العبودية العامة al-ʿubūdiyya al-ʿāmma · algemeen dienaarschap
- alle schepselen zijn dienaren van Allah (Maryam 19:93) (les 22, p. 70)
- غفرانك ghufrānaka · Uw vergeving
- vraag om vergeving voor tekortkomingen tegenover Allah (les 22, p. 72)