De Grote Ramp: twee bestemmingen#
De Grote Ramp (an-Nāziʿāt 79:34–36). Aṭ-ṭāmma is een naam van de Dag van de Opstanding: de gebeurtenis die alles overspoelt en overheerst, zoals water dat alles bedekt. 'De grote' benadrukt de verschrikking. Op die Dag herinnert de mens zich alles wat hij deed, goed en kwaad, en de Hel wordt zichtbaar gemaakt voor ieder die kijkt.
Twee groepen (79:37–41). Wie opstandig was en het wereldse leven verkoos boven zijn godsdienst en zijn Hiernamaals, heeft de Hel als verblijf. Wie de staanplaats voor zijn Heer vreesde, en daardoor zijn ziel weerhield van haar begeerte, heeft het Paradijs als verblijf. Hawā betekent in de grond 'neiging', later vooral de neiging tot begeerte; het boek legt uit dat het zo heet omdat het zijn eigenaar in deze wereld in elke ramp laat vallen (yahwī), en in het Hiernamaals in de afgrond (al-hāwiya).
Lessen.
- De Hel wordt zichtbaar voor gelovigen én ongelovigen: de gelovige leert zo de waarde van Allahs gunst kennen, en de ongelovige wordt al bang gemaakt voordat hij erin gaat.
- De vrees voor Allah en het weerhouden van de ziel staan samen, omdat die vrees de stevigste dam is tegen de heftige stroom van de begeerte; weinig anders houdt stand.
Kernpunten
- Aṭ-ṭāmma al-kubrā is een naam van de Opstanding: de ramp die alles overspoelt.
- Wie opstandig was en deze wereld verkoos, krijgt de Hel.
- Wie Allah vreesde en zijn begeerte bedwong, krijgt het Paradijs.
- De vrees voor Allah is de sterkste dam tegen de begeerte.
Bron: التفسير (٢), les 11, vanaf p. 44.
Begrippen
- الطامة aṭ-ṭāmma · de overweldigende ramp
- een naam van de Opstanding; van 'water dat alles bedekt' (les 11, p. 44)
- آثر āthara · verkiezen
- iets voorrang geven, hier deze wereld boven het Hiernamaals (les 11, p. 44)
- المأوى al-maʾwā · verblijfplaats
- de plek waar men terechtkomt en blijft (les 11, p. 45)
- مقام ربه maqām rabbihi · de staanplaats voor zijn Heer
- het moment dat men voor Allah staat ter verantwoording (les 11, p. 45)
- الهوى al-hawā · begeerte
- in de grond: neiging; vooral de neiging tot begeerte (les 11, p. 45)