Arabische taal (grammatica) (1)

PDF downloaden

Bron: Zad-reeks (سلسلة زاد العلمية), samengesteld door Zad Group. Dit is een studiesamenvatting, niet de tekst van het boek.

Studeer heel eenheid 2 Schema’s, begrippen, hadith, personen en een toets voor alle lessen samen →

Het partikel; de zin en zijn soorten

Het partikel (ḥarf). Een woord zonder eigen betekenis; zijn betekenis blijkt pas in iets anders: ʿalā, fī, aw, thumma, ilā, ʿan. Alle partikels zijn vast (mabnī).

  • Naar werking: regerend (inna en haar zusters, voorzetsels) of niet-regerend (antwoordpartikels als balā, naʿam).
  • Naar gebruik: alleen bij namen (voorzetsels: kharajtu mina l-bayti); alleen bij werkwoorden (accusatief- en jussiefpartikels: lam yaʾti, in tajtahid tanjaḥ); of bij beide (voegwoorden en het vraagpartikel hal: hal qaraʾta l-Qurʾān?, hal Ibrāhīmu atā?).

De zin (jumla). Twee of meer woorden met een volledige betekenis.

  • Naar het begin is er de naamwoordelijke zin (ismiyya) en de werkwoordelijke zin (fiʿliyya). De naamwoordelijke zin begint met een naam in de nominatief, het onderwerp (mubtadaʾ), en wordt aangevuld met het gezegde (khabar): Muḥammadun rasūlu llāh. Is het gezegde één woord, dan is het een kleine naamwoordelijke zin. Is het gezegde zelf een zin, dan is het een grote: al-baytu ghurafuhu wāsiʿa, al-muslimu yuṣallī fī l-masjid. De werkwoordelijke zin begint met een werkwoord, in elke tijd, transitief of niet, actief of passief (al-Baqara 2:253; an-Nisāʾ 4:69).

Zinnen met en zonder plaats in de verbuiging. Dit deel is ‘alleen ter kennisname’. Een zin kan de plaats van een verbogen woord innemen. Het boek noemt zeven zulke zinnen:

  • gezegde-zin (kāna ṭ-ṭālibu yajiddu);
  • toestandszin (jāʾanī ṣadīqī yaḍḥaku);
  • objectzin, bijvoorbeeld na qāla;
  • bijvoeglijke zin (marartu bi-rajulin yaḥruthu arḍahu);
  • genitiefzin na een tijdsbepaling (idhā jiʾtanī akramtuka);
  • nazin van een jussief-voorwaarde met fa- (man yajtahid fa-n-najāḥu ḥalīfuh);
  • een zin die daaraan nevengeschikt is.

Ook zeven zinnen hebben geen plaats in de verbuiging:

  • de beginzin (al-Qadr 97:1);
  • de relatieve zin na alladhī;
  • de tussenzin (al-Baqara 2:24);
  • de verklarende zin (Yā Sīn 36:33);
  • het antwoord op een eed (Ṣād 38:82);
  • de nazin van een niet-jussieve voorwaarde (idhā, law, lawlā; al-Aʿrāf 7:176);
  • een zin die daaraan nevengeschikt is.

Kernpunten

  • Een partikel krijgt zijn betekenis pas in iets anders; alle partikels zijn vast.
  • Partikels zijn regerend of niet-regerend, en horen bij namen, bij werkwoorden of bij beide.
  • De naamwoordelijke zin begint met een naam, de werkwoordelijke zin met een werkwoord.
  • Zeven zinnen hebben een plaats in de verbuiging, zeven niet.

Bron: اللغة العربية (١), les 12, vanaf p. 47.

Begrippen

الحرف al-ḥarf · partikel
woord waarvan de betekenis in iets anders blijkt (les 12, p. 47)
الحروف العاملة al-ḥurūf al-ʿāmila · regerende partikels
partikels die een uitgang bepalen, zoals voorzetsels (les 12, p. 47)
الجملة الاسمية al-jumla al-ismiyya · naamwoordelijke zin
begint met een naam: onderwerp en gezegde (les 12, p. 50)
الجملة الفعلية al-jumla al-fiʿliyya · werkwoordelijke zin
begint met een werkwoord (les 12, p. 51)
المبتدأ al-mubtadaʾ · onderwerp
naam in de nominatief aan het begin van de naamwoordelijke zin (les 12, p. 50)
الخبر al-khabar · gezegde
wat de betekenis van het onderwerp aanvult (les 12, p. 50)
جملة لها محل من الإعراب jumla lahā maḥall min al-iʿrāb · zin met plaats in de verbuiging
zin die de plaats van een verbogen woord inneemt (les 12, p. 52)
الجملة الاعتراضية al-jumla al-iʿtirāḍiyya · tussenzin
zin tussen twee bij elkaar horende delen (les 12, p. 54)