Actief en passief#
Het boek markeert de vormingsregels als ‘alleen ter kennisname’.
Actief en passief. Een werkwoord staat in de actieve vorm (mabnī li-l-maʿlūm) als het onderwerp genoemd wordt: akala l-waladu ṭ-ṭaʿām. Het staat in de passieve vorm (mabnī li-l-majhūl) als het onderwerp is weggelaten en iets anders zijn plaats inneemt: sumiʿa ṣawtun.
Zo vorm je het passief.
- Verleden tijd: de letter vóór de laatste krijgt een kasra en de eerste een ḍamma (fahima → fuhima).
- Imperfectum: de letter vóór de laatste krijgt een fatḥa en de eerste een ḍamma (yastaʿmilu → yustaʿmalu).
- Is de letter vóór de laatste in de verleden tijd een alif, dan wordt die een yāʾ met kasra ervoor (bāʿa → bīʿa).
- Is die letter in het imperfectum een wāw of yāʾ, dan wordt die een alif (yaqūlu → yuqālu, yashīdu → yushādu).
- Bij een werkwoord met twee lijdende voorwerpen blijft het tweede staan (uʿṭiya l-ʿāmilu mukāfaʾatan).
De gebiedende wijs heeft geen passief; alleen verleden tijd en imperfectum. De oefening gebruikt al-Balad 90:7, al-Ikhlāṣ 112:3–4 en al-Baqara 2:11 en 2:104.
Kernpunten
- Actief: het onderwerp wordt genoemd. Passief: het onderwerp valt weg en iets anders neemt zijn plaats in.
- Passief verleden tijd: ḍamma op de eerste letter, kasra vóór de laatste.
- Passief imperfectum: ḍamma op de eerste letter, fatḥa vóór de laatste.
- De gebiedende wijs heeft geen passief.
Bron: اللغة العربية (١), les 11, vanaf p. 45.
Begrippen
- المبني للمعلوم al-mabnī li-l-maʿlūm · actief
- werkwoord waarbij het onderwerp genoemd wordt (les 11, p. 45)
- المبني للمجهول al-mabnī li-l-majhūl · passief
- werkwoord waarvan het onderwerp is weggelaten (les 11, p. 45)
- نائب الفاعل nāʾib al-fāʿil · plaatsvervanger van het onderwerp
- wat in het passief de plaats van het onderwerp inneemt (les 11, p. 45)