Nadenken over de afloop en het Hiernamaals, en de grenzen van nadenken#
Meer terreinen van nadenken.
- Over Allahs gunsten: ﴿Hij is het die uit de hemel water neerzendt … daarmee laat Hij voor jullie gewassen groeien … voorwaar, daarin is een teken voor mensen die nadenken﴾ (an-Naḥl 16:10–14).
- Over de afloop en het Hiernamaals: ﴿Zijn zij niet over de aarde gereisd om te zien hoe het einde was van hen die vóór hen waren?﴾ (ar-Rūm 30:9). ʿAlī ibn Abī Ṭālib overlevert: Ik had jullie verboden de graven te bezoeken; bezoek ze nu, want ze herinneren jullie aan het Hiernamaals (Aḥmad, ṣaḥīḥ volgens al-Albānī). Muṭarrif ibn ʿAbd Allāh ibn ash-Shikhkhīr zei: ik lig 's nachts op mijn bed, overdenk de Koran en leg mijn daden naast die van de mensen van het Paradijs: ﴿Zij sliepen weinig in de nacht﴾ (adh-Dhāriyāt 51:17), ﴿die de nacht doorbrengen in neerknieling en staan﴾ (al-Furqān 25:64), ﴿wie gehoorzaam is in de uren van de nacht﴾ (az-Zumar 39:9), en ik zie mezelf niet bij hen. Dan leg ik ze naast ﴿Wat bracht jullie in Saqar?﴾ (al-Muddaththir 74:42) en zie loochenaars. Dan kom ik bij ﴿anderen die hun zonden erkenden; zij vermengden een goede daad met een slechte﴾ (at-Tawba 9:102), "en ik hoop dat ik en jullie, mijn broeders, bij hen horen."
Grenzen en gevaren van nadenken. Nadenken heeft grenzen waar de moslim moet stoppen, zonder ver af te dwalen:
- Het wezen van Allah en de hoe-heid van Zijn eigenschappen. Het is niet toegestaan daarover na te denken. Ibn ʿUmar overlevert: Denk na over de gunsten van Allah en denk niet na over Allah (al-Lālakāʾī, ḥasan volgens al-Albānī). Nadenken over de betekenissen van Allahs namen en eigenschappen en ernaar handelen, zonder naar het hoe te zoeken, is wel gewenst en is wat de teksten vragen.
- De onzichtbare wereld (al-ghayb). De moslim probeert die niet voor te stellen; ze is te groot voor het menselijk verstand. Volgens het boek is dit een verschil tussen de islamitische en de westerse kijk op de schepping: de westerse atheïstische visie meende uit hoogmoed dat alles door ervaring te kennen is, terwijl de islam weet dat sommige dingen niet te kennen zijn: de geest, de djinn, de engelen, het graf, het Vuur, het Paradijs, het staan voor Allah en de vlakten van de Opstanding. ﴿Zij vragen jou naar de geest. Zeg: de geest behoort tot de zaak van mijn Heer, en jullie is van de kennis maar weinig gegeven﴾ (al-Isrāʾ 17:85).
Kernpunten
- Nadenken over Allahs gunsten en over de afloop van vorige volken brengt lering.
- Het bezoeken van graven herinnert aan het Hiernamaals.
- Muṭarrif legde zijn daden naast die van de mensen van het Paradijs en hoopte bij de berouwvollen te horen.
- Men denkt niet na over het wezen van Allah en het hoe van Zijn eigenschappen, wel over hun betekenis.
- De onzichtbare wereld, zoals de geest, de djinn en het Paradijs, valt buiten wat het verstand kan voorstellen.
Bron: التربية الإسلامية (٢) أعمال القلوب, les 20, vanaf p. 72.
Begrippen
- الآلاء al-ālāʾ · gunsten
- de weldaden van Allah, waarover men wel nadenkt (les 20, p. 73)
- الكيفية al-kayfiyya · het hoe
- de wijze van Allahs eigenschappen, waarnaar men niet zoekt (les 20, p. 73)
- عالم الغيب ʿālam al-ghayb · de onzichtbare wereld
- wat buiten menselijke waarneming valt, zoals geest, djinn en Paradijs (les 20, p. 73)
- العواقب al-ʿawāqib · de afloop
- het einde van volken en daden, om lering uit te trekken (les 20, p. 72)