Het onderwerp (fāʿil)#
Wat is de fāʿil? Het boek definieert de fāʿil (handelende persoon, onderwerp) als een naamwoord in de nominatief (marfūʿ) waaraan een actief werkwoord wordt toegekend. Het wijst aan wie de handeling deed, of aan wie de handeling 'kleeft'. Voorbeelden: intaṣara l-islāmu (de islam zegevierde), jāʾa Aḥmadu (Aḥmad kwam), marra Muṣṭafā, ḥaḍara l-qāḍī. Uit de Koran noemt het boek onder meer «zeg: de waarheid is gekomen en het valse is verdwenen» (al-Isrāʾ 17:81), «het bevel van Allah komt» (an-Naḥl 16:1) en «wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning» (an-Naṣr 110:1).
Ook wie de handeling niet zelf deed. Met 'aan wie de handeling kleeft' bedoelt het boek ook wie de handeling niet zelf verrichtte. In māta l-ʿuṣfūr (de mus stierf) en ʿataqa l-ghulām (de jongen werd vrij) deden de mus en de jongen het niet zelf, maar zij zijn grammaticaal toch de fāʿil. Hetzelfde geldt voor inkasarat az-zujāja (het glas brak).
Altijd nominatief, met één uitzondering. De fāʿil staat altijd in de nominatief. Soms gaat er echter een overbodig voorzetsel (ḥarf jarr zāʾid) aan vooraf. Dan is hij in vorm genitief maar qua plaats nominatief: «Allah is genoeg (kafā bi-llāhi) als getuige» (an-Nisāʾ 4:79) en «als helper» (an-Nisāʾ 4:45).
Drie soorten fāʿil:
- een zichtbaar naamwoord: ghazā l-ʿālimu l-faḍāʾ (de wetenschapper veroverde de ruimte);
- een voornaamwoord, aangehecht (ʿāqabtu l-musīʾ, qumnā li-l-fajr) of verborgen (Muḥammad sāfara: verborgen huwa; dhākir tanjaḥ: verborgen anta);
- een maṣdar muʾawwal (een bijzin die als werkwoordelijk naamwoord geldt). In een kader 'alleen ter kennisname' noemt het boek twee vormen: an + werkwoord (yuʿjibunī an tanjaḥa = najāḥuka), zoals in al-Ḥadīd 57:16 «is het niet tijd voor hen die geloven dat hun harten nederig worden», en anna met haar zin (aʿjabanī anna d-dirāsata badaʾat = badʾu d-dirāsa).
Ontleed. In «fa-qad jāʾakumu l-fatḥ» (al-Anfāl 8:19) is al-fatḥ een achteropgeplaatste fāʿil. In «kafā bi-llāhi naṣīrā» is Allāh fāʿil, in vorm genitief en qua plaats nominatief.
Kernpunten
- De fāʿil is een nominatief naamwoord na een actief werkwoord; hij deed de handeling of de handeling kleefde aan hem.
- Ook bij māta l-ʿuṣfūr en inkasarat az-zujāja is het naamwoord fāʿil.
- Na een overbodig voorzetsel is de fāʿil in vorm genitief, qua plaats nominatief (kafā bi-llāh).
- Drie soorten: zichtbaar naamwoord, voornaamwoord (aangehecht of verborgen) en maṣdar muʾawwal.
Bron: اللغة العربية (٣), les 1, vanaf p. 11.
Begrippen
- الفاعل al-fāʿil · onderwerp, handelende
- nominatief naamwoord waaraan een actief werkwoord is toegekend (les 1, p. 11)
- حرف الجر الزائد ḥarf al-jarr az-zāʾid · overbodig voorzetsel
- voorzetsel dat de vorm genitief maakt maar de plaats niet verandert, zoals bi- in kafā bi-llāh (les 1, p. 11)
- الضمير المستتر aḍ-ḍamīr al-mustatir · verborgen voornaamwoord
- voornaamwoord dat niet geschreven wordt, zoals huwa in Muḥammad sāfara (les 1, p. 12)
- المصدر المؤول al-maṣdar al-muʾawwal · geïnterpreteerd werkwoordelijk naamwoord
- an/anna met hun zin, op te vatten als maṣdar (les 1, p. 12)