De voorzetsels (ḥurūf al-jarr)#
Naam. Volgens het boek heten de voorzetsels ḥurūf al-jarr omdat ze de betekenis van het werkwoord ervóór naar het naamwoord erna 'trekken' (jarr). Er wordt ook gezegd: omdat ze het naamwoord erna in de genitief zetten. Ze heten ook ḥurūf al-iḍāfa, omdat ze de betekenis van werkwoorden aan naamwoorden toevoegen. Sommige werkwoorden kunnen hun object niet zelf bereiken en worden door deze partikels versterkt: jalastu ʿalā l-kursī, jiʾtu mina l-masjid, marartu bi-abīka.
De voorzetsels: min, ilā, ʿan, ʿalā, fī, ḥattā, bi-, ka-, li-, de wāw en tāʾ van de eed, mudh, mundhu en rubba.
Betekenissen met voorbeelden:
- min: begin (kharajtu mina l-bayt; «Ādam ontving van zijn Heer woorden», al-Baqara 2:37) en gedeeltelijkheid («onder jullie is een ongelovige en onder jullie een gelovige», at-Taghābun 64:2);
- ilā: einde (dhahabtu ilā l-malʿab; «tot Allah is jullie terugkeer», al-Māʾida 5:48);
- ʿalā: verhevenheid, zintuiglijk («op hen en op de schepen worden jullie gedragen», al-Muʾminūn 23:22) of abstract («Wij hebben sommigen boven anderen verheven», al-Baqara 2:253);
- fī: plaats («in het nabije land», ar-Rūm 30:2–3), tijd («binnen enkele jaren», ar-Rūm 30:3–4) en reden. Bij reden noemt het boek een profetische uitspraak zonder bron: een vrouw ging het Vuur in vanwege een kat die zij opsloot;
- ʿan: overschrijding (sāfartu ʿani l-balad; al-Baqara 2:142);
- li-: eigendom en specificiteit (ad-dāru li-Bakr; «aan Allah behoort wat in de hemelen is», al-Baqara 2:284);
- bi-: hulpmiddel («wee hen die het boek met hun handen schrijven», al-Baqara 2:79), oorzaak (ʿāqabtuhu bi-dhanbihi), aanhechting (amsaktu bi-yadika) en plaats (Āl ʿImrān 3:96, bi-Bakka);
- ḥattā: eindpunt (al-Baqara 2:187) en reden («strijdt tegen hen totdat er geen beproeving meer is», al-Baqara 2:193);
- ka-: vergelijking (anta ka-l-asad; al-Maʿārij 70:8);
- wāw van de eed: «bij de hemel met de sterrenbeelden» (al-Burūj 85:1), al-Fajr 89:1–4;
- tāʾ van de eed: «tallāhi» (Yūsuf 12:91, 12:95; aṣ-Ṣāffāt 37:56). De tāʾ staat alleen bij het woord Allāh, de wāw bij alles waarbij gezworen wordt;
- mudh en mundhu: begin van een periode (mā raʾaytuhu mundhu yawmayn);
- rubba: weinig (rubba qalamin aqwā min sayf) of veel (rubba akhin laka lam talidhu ummuk).
Kernpunten
- Voorzetsels zetten het naamwoord erna in de genitief en voegen de betekenis van het werkwoord eraan toe.
- Het boek noemt veertien voorzetsels.
- Elk voorzetsel heeft eigen betekenissen, zoals begin en gedeeltelijkheid (min), einde (ilā) en verhevenheid (ʿalā).
- De tāʾ van de eed staat alleen bij Allāh; de wāw bij alles waarbij gezworen wordt.
Bron: اللغة العربية (٣), les 21, vanaf p. 91.
Begrippen
- حروف الجر ḥurūf al-jarr · voorzetsels
- partikels die het naamwoord erna in de genitief zetten (les 21, p. 91)
- الابتداء al-ibtidāʾ · begin
- betekenis van min: kharajtu mina l-bayt (les 21, p. 91)
- التبعيض at-tabʿīḍ · gedeeltelijkheid
- betekenis van min: iqṭaʿ lī mina l-qumāsh (les 21, p. 91)
- الاستعلاء al-istiʿlāʾ · verhevenheid
- betekenis van ʿalā, zintuiglijk of abstract (les 21, p. 91)
- المجاوزة al-mujāwaza · overschrijding
- betekenis van ʿan: sāfartu ʿani l-balad (les 21, p. 92)
- الاستعانة al-istiʿāna · hulpmiddel
- betekenis van bi-: qaṭaʿtu l-laḥma bi-s-sikkīn (les 21, p. 92)