Arabische taal (grammatica) (3)

PDF downloaden

Bron: Zad-reeks (سلسلة زاد العلمية), samengesteld door Zad Group. Dit is een studiesamenvatting, niet de tekst van het boek.

Studeer heel eenheid 4 Schema’s, begrippen, hadith, personen en een toets voor alle lessen samen →

De voorzetsels (ḥurūf al-jarr)

Naam. Volgens het boek heten de voorzetsels ḥurūf al-jarr omdat ze de betekenis van het werkwoord ervóór naar het naamwoord erna 'trekken' (jarr). Er wordt ook gezegd: omdat ze het naamwoord erna in de genitief zetten. Ze heten ook ḥurūf al-iḍāfa, omdat ze de betekenis van werkwoorden aan naamwoorden toevoegen. Sommige werkwoorden kunnen hun object niet zelf bereiken en worden door deze partikels versterkt: jalastu ʿalā l-kursī, jiʾtu mina l-masjid, marartu bi-abīka.

De voorzetsels: min, ilā, ʿan, ʿalā, fī, ḥattā, bi-, ka-, li-, de wāw en tāʾ van de eed, mudh, mundhu en rubba.

Betekenissen met voorbeelden:

  • min: begin (kharajtu mina l-bayt; «Ādam ontving van zijn Heer woorden», al-Baqara 2:37) en gedeeltelijkheid («onder jullie is een ongelovige en onder jullie een gelovige», at-Taghābun 64:2);
  • ilā: einde (dhahabtu ilā l-malʿab; «tot Allah is jullie terugkeer», al-Māʾida 5:48);
  • ʿalā: verhevenheid, zintuiglijk («op hen en op de schepen worden jullie gedragen», al-Muʾminūn 23:22) of abstract («Wij hebben sommigen boven anderen verheven», al-Baqara 2:253);
  • fī: plaats («in het nabije land», ar-Rūm 30:2–3), tijd («binnen enkele jaren», ar-Rūm 30:3–4) en reden. Bij reden noemt het boek een profetische uitspraak zonder bron: een vrouw ging het Vuur in vanwege een kat die zij opsloot;
  • ʿan: overschrijding (sāfartu ʿani l-balad; al-Baqara 2:142);
  • li-: eigendom en specificiteit (ad-dāru li-Bakr; «aan Allah behoort wat in de hemelen is», al-Baqara 2:284);
  • bi-: hulpmiddel («wee hen die het boek met hun handen schrijven», al-Baqara 2:79), oorzaak (ʿāqabtuhu bi-dhanbihi), aanhechting (amsaktu bi-yadika) en plaats (Āl ʿImrān 3:96, bi-Bakka);
  • ḥattā: eindpunt (al-Baqara 2:187) en reden («strijdt tegen hen totdat er geen beproeving meer is», al-Baqara 2:193);
  • ka-: vergelijking (anta ka-l-asad; al-Maʿārij 70:8);
  • wāw van de eed: «bij de hemel met de sterrenbeelden» (al-Burūj 85:1), al-Fajr 89:1–4;
  • tāʾ van de eed: «tallāhi» (Yūsuf 12:91, 12:95; aṣ-Ṣāffāt 37:56). De tāʾ staat alleen bij het woord Allāh, de wāw bij alles waarbij gezworen wordt;
  • mudh en mundhu: begin van een periode (mā raʾaytuhu mundhu yawmayn);
  • rubba: weinig (rubba qalamin aqwā min sayf) of veel (rubba akhin laka lam talidhu ummuk).

Kernpunten

  • Voorzetsels zetten het naamwoord erna in de genitief en voegen de betekenis van het werkwoord eraan toe.
  • Het boek noemt veertien voorzetsels.
  • Elk voorzetsel heeft eigen betekenissen, zoals begin en gedeeltelijkheid (min), einde (ilā) en verhevenheid (ʿalā).
  • De tāʾ van de eed staat alleen bij Allāh; de wāw bij alles waarbij gezworen wordt.

Bron: اللغة العربية (٣), les 21, vanaf p. 91.

Begrippen

حروف الجر ḥurūf al-jarr · voorzetsels
partikels die het naamwoord erna in de genitief zetten (les 21, p. 91)
الابتداء al-ibtidāʾ · begin
betekenis van min: kharajtu mina l-bayt (les 21, p. 91)
التبعيض at-tabʿīḍ · gedeeltelijkheid
betekenis van min: iqṭaʿ lī mina l-qumāsh (les 21, p. 91)
الاستعلاء al-istiʿlāʾ · verhevenheid
betekenis van ʿalā, zintuiglijk of abstract (les 21, p. 91)
المجاوزة al-mujāwaza · overschrijding
betekenis van ʿan: sāfartu ʿani l-balad (les 21, p. 92)
الاستعانة al-istiʿāna · hulpmiddel
betekenis van bi-: qaṭaʿtu l-laḥma bi-s-sikkīn (les 21, p. 92)