De werking en regels van de voorzetsels#
Werking. Een voorzetsel zet het naamwoord erna in de genitief. Bij verbuigbare woorden gebeurt dat in vorm en plaats: sallamtu ʿalā Muḥammadin, darastu fī l-madrasati. Bij onverbuigbare woorden, zoals aanwijzende, persoonlijke en betrekkelijke voornaamwoorden, gebeurt het alleen qua plaats: marartu bi-ulāʾika, raḥḥabtu bihim, istafadtu mina lladhī ʿallamanī.
Regels (kader 'alleen ter kennisname', p. 93). Elk voorzetsel geeft een precieze betekenis die een ander voorzetsel niet geeft. Die betekenis kan per context veranderen. Ook de betekenis van het werkwoord verandert met het voorzetsel: daʿawtu lahu (ik bad voor hem) tegenover daʿawtu ʿalayhi (ik bad tegen hem), en raghibtu fī ṭ-ṭaʿām (ik verlangde naar het eten) tegenover raghibtu ʿani ṭ-ṭaʿām (ik keerde me af van het eten).
Vooropplaatsing. Normaal staat het voorzetsel met zijn naamwoord achteraan.
Het is goed om het vooraan te zetten:
- om het te benadrukken: li-llāhi uṣallī;
- om een zware zin te vermijden: aḥḍartu li-d-dirāsati ʿadadan mina l-kurrāsāt.
Het moet vooraan:
- als het de khabar is van een onbepaalde, niet-beschreven mubtadaʾ: fī l-mazraʿati ʿummāl;
- als de mubtadaʾ een voornaamwoord bevat dat naar het naamwoord na het voorzetsel verwijst: fī s-sayyārati ṣāḥibuhā;
- als het een vraagwoord is: li-man hādhā l-kitāb?, bi-ayyi dhanbin ʿāqabtahu?
Mā na een voorzetsel.
- Na min, ʿan en bi- wordt mā toegevoegd zonder de werking op te heffen: «vanwege hun zonden (mimmā khaṭīʾātihim) werden zij verdronken» (Nūḥ 71:25); «binnen korte tijd (ʿammā qalīlin)» (al-Muʾminūn 23:40); «door genade (fa-bimā raḥmatin) van Allah was jij mild voor hen» (Āl ʿImrān 3:159).
- Na rubba heft mā de werking wel op. Dan kan er een naamwoordelijke zin of een werkwoordszin volgen: «misschien (rubamā) zullen de ongelovigen wensen» (al-Ḥijr 15:2), rubbamā Aḥmadu fī l-bayt.
Wetenswaardigheden (kader 'alleen ter kennisname', p. 94):
- Vragend mā verliest zijn alif na een voorzetsel, om het te onderscheiden van betrekkelijk mā: bima, lima, mimma, ʿamma, fīma, ʿalāma, ḥattāma, ilāma.
- Min en ʿan assimileren met vragend man en mā: mimman, ʿamman.
- Rubba staat alleen vóór onbepaalde woorden: rubba muttahamin barīʾ.
Kernpunten
- Een voorzetsel zet het naamwoord in de genitief, in vorm en plaats of alleen qua plaats.
- Het voorzetsel bepaalt de betekenis van het werkwoord mee: daʿawtu lahu tegenover daʿawtu ʿalayhi.
- Vooropplaatsing kan goed zijn (nadruk, zwaarte vermijden) of verplicht (onbepaalde mubtadaʾ, terugverwijzend voornaamwoord, vraagwoord).
- Mā na min, ʿan en bi- heft de werking niet op, mā na rubba wel.
Bron: اللغة العربية (٣), les 22, vanaf p. 93.
Begrippen
- الجر لفظا ومحلا al-jarr lafẓan wa-maḥallan · genitief in vorm en plaats
- bij verbuigbare naamwoorden (les 22, p. 93)
- الجر محلا al-jarr maḥallan · genitief qua plaats
- bij onverbuigbare woorden zoals ulāʾika (les 22, p. 93)
- ما الكافة mā al-kāffa · opheffende mā
- mā na rubba die de werking opheft (les 22, p. 94)
- ما الزائدة mā az-zāʾida · overbodige mā
- mā na min, ʿan en bi- zonder effect op de werking (les 22, p. 94)