De regels van de fāʿil#
Het boek geeft zes regels voor de fāʿil. Deze les behandelt de eerste drie.
1. De fāʿil staat niet vóór zijn werkwoord. In Muḥammadun jāʾa is Muḥammad wel de handelende in betekenis, maar grammaticaal is hij mubtadaʾ (onderwerp van een naamwoordelijke zin). De fāʿil is het verborgen huwa na het werkwoord. Anders zou je de fāʿil met de mubtadaʾ verwarren.
2. Het werkwoord blijft enkelvoud. Bij een duale of meervoudige fāʿil krijgt het werkwoord geen dualis- of meervoudsuitgang. Je zegt dus jāʾa ṭ-ṭālibān, niet jāʾā ṭ-ṭālibān, en intaṣara l-muslimūn, niet intaṣarū l-muslimūn.
3. Overeenstemming in geslacht (een kader 'alleen ter kennisname', p. 15–17):
- Verplicht mannelijk bij een mannelijke fāʿil: qaṣafa r-raʿd, saqaṭa l-jidārān, sāfara l-muʿallimūn.
- Verplicht vrouwelijk op twee plaatsen. Ten eerste als de fāʿil echt vrouwelijk is, zichtbaar en direct na het werkwoord staat: dhahabat Āmina, «toen de vrouw van ʿImrān zei» (Āl ʿImrān 3:35), «een mier zei» (an-Naml 27:18). Ten tweede als de fāʿil een voornaamwoord is dat naar iets vrouwelijks verwijst: Maryam qāmat, ash-shamsu ashraqat, «wanneer de hemel splijt» (al-Inshiqāq 84:1–2).
- Vrij te kiezen in vier gevallen:
1. bij een figuurlijk vrouwelijke fāʿil (ṭalaʿat/ṭalaʿa sh-shams); de Koran gebruikt beide: «jāʾatkum mawʿiẓa» (Yūnus 10:57) en «jāʾahu mawʿiẓa» (al-Baqara 2:275), en ook «wa-akhadha» (Hūd 11:67) naast «wa-akhadhat» (Hūd 11:94);
2. bij een echt vrouwelijke fāʿil die door iets anders dan illā van het werkwoord gescheiden is (ḥaḍarat/ḥaḍara ilā l-qāḍī mraʾa; al-Mumtaḥana 60:12). Na illā komt er geen tāʾ: mā najaḥa illā Fāṭima, niet mā najaḥat;
3. bij een star werkwoord: niʿmat/niʿma l-marʾatu ʿĀʾisha;
4. bij een gebroken meervoud, een ism jins jamʿī of een ism jamʿ: qālat/qāla r-ruwāt, awraqat/awraqa sh-shajar, jāʾat/jāʾa l-qawm.
Kernpunten
- Een naamwoord vóór het werkwoord is mubtadaʾ, geen fāʿil.
- Het werkwoord blijft enkelvoud bij een duale of meervoudige fāʿil.
- Vrouwelijk is verplicht bij een echt vrouwelijke fāʿil direct na het werkwoord, en bij een voornaamwoord dat naar iets vrouwelijks verwijst.
- Na illā krijgt het werkwoord geen vrouwelijke tāʾ: mā najaḥa illā Fāṭima.
Bron: اللغة العربية (٣), les 2, vanaf p. 15.
Begrippen
- المؤنث الحقيقي al-muʾannath al-ḥaqīqī · echt vrouwelijk
- levend wezen van vrouwelijk geslacht, zoals Āmina (les 2, p. 15)
- المؤنث المجازي al-muʾannath al-majāzī · figuurlijk vrouwelijk
- grammaticaal vrouwelijk woord zonder natuurlijk geslacht, zoals ash-shams (les 2, p. 16)
- الفعل الجامد al-fiʿl al-jāmid · star werkwoord
- werkwoord dat niet vervoegd wordt, zoals niʿma (les 2, p. 17)
- اسم الجمع ism al-jamʿ · verzamelnaam
- woord met meervoudsbetekenis zonder eigen enkelvoud, zoals al-qawm (les 2, p. 17)