Uitzondering met khalā, ʿadā en ḥāshā#
Partikel of werkwoord. Khalā, ʿadā en ḥāshā staan tussen voorzetsel en werkwoord in. Daarom mag het woord erna op twee manieren:
- accusatief, als je ze opvat als werkwoorden in de verleden tijd, met een veronderstelde a aan het eind;
- genitief, als je ze opvat als voorzetsels.
Voorbeelden: fāza l-ʿāmilūna khalā l-muhmila of l-muhmili; qadima l-mudarrisūna ʿadā mudarrisan of mudarrisin; najaḥa ṭ-ṭullābu ḥāshā Muḥammadan of Muḥammadin.
Met mā. Staat het mā van het werkwoordelijk naamwoord (mā al-maṣdariyya) vóór ʿadā of khalā, dan zijn ze puur werkwoord. Het woord erna is dan lijdend voorwerp in de accusatief: ajāba ṭ-ṭalabatu l-asʾilata mā ʿadā suʾālan, mā khalā suʾālan. Daarbij is mā een partikel dat vast is op sukūn, en ʿadā of khalā een werkwoord in de verleden tijd, vast op een veronderstelde a. Mā komt niet vóór ḥāshā; wat zo overgeleverd is, is uitzonderlijk (shādhdh).
Oefening. De oefening vraagt de juiste vorm te kiezen, bijvoorbeeld kulluhum najaḥū mā ʿadā (al-muhmalūn / al-muhmalīn). Na mā ʿadā is alleen de accusatief juist: al-muhmalīn.
Kernpunten
- Na khalā, ʿadā en ḥāshā mag het woord in de accusatief (werkwoord) of in de genitief (voorzetsel).
- Na mā ʿadā en mā khalā is alleen de accusatief juist, als lijdend voorwerp.
- Mā gaat niet samen met ḥāshā; wat zo overgeleverd is, is uitzonderlijk.
Bron: اللغة العربية (٣), les 16, vanaf p. 75.
Begrippen
- خلا / عدا / حاشا khalā / ʿadā / ḥāshā · behalve
- uitzonderingswoorden tussen partikel en werkwoord in (les 16, p. 75)
- ما المصدرية mā al-maṣdariyya · mā van het werkwoordelijk naamwoord
- mā die met het werkwoord een maṣdar vormt; maakt ʿadā en khalā tot werkwoord (les 16, p. 75)
- الشاذ ash-shādhdh · uitzonderlijk
- wat afwijkt van de regel (les 16, p. 75)