Werkwoorden van nabijheid, hoop en beginnen (kāda en zusters)#
Werking. Kāda en zusters zijn onvolledige werkwoorden, net als kāna. Ze staan voor een naamwoordelijke zin: de mubtadaʾ blijft in de nominatief en heet hun ism. De werkwoordszin erna staat op de plaats van de accusatief, als hun khabar.
Drie groepen.
1. Nabijheid (muqāraba): kāda, awshaka, karaba. Deze werkwoorden zeggen dat de khabar bijna gebeurt:
- kāda l-waqtu yaqṭaʿunā (de tijd haalde ons bijna in);
- «de bliksem neemt bijna hun zicht weg» (al-Baqara 2:20);
- awshaka l-māʾu an yaghīḍ (het water zakte bijna weg);
- karaba l-maṭaru yahṭil (de regen begon bijna te vallen).
2. Hoop (rajāʾ): ʿasā, ḥarā, ikhlawlaqa. Deze werkwoorden drukken de hoop uit dat de khabar gebeurt:
- «misschien zal jullie Heer zich over jullie ontfermen» (al-Isrāʾ 17:8);
- «misschien zal Allah de overwinning brengen» (al-Māʾida 5:52);
- ḥarā l-musāfiru an yaʿūd;
- ikhlawlaqa l-muhmilu an yajtahid.
3. Beginnen (shurūʿ): jaʿala, akhadha, anshaʾa, sharaʿa, ṭafiqa, ʿaliqa. Deze werkwoorden zeggen dat de handeling begint:
- «zij begonnen bladeren van de Tuin over zich heen te leggen» (al-Aʿrāf 7:22);
- sharaʿa l-muhandisūna yukhaṭṭiṭūna l-malʿab;
- akhadha l-ʿummālu yaḍaʿūna ḥajara l-asās;
- jaʿala l-lāʿibūna yatadarrabūna bi-nashāṭ.
Uitgewerkte voorbeelden.
«Fa-ʿasā llāhu an yaʾtiya bi-l-fatḥ» (al-Māʾida 5:52):
- ʿasā is een onvolledig werkwoord, vast op een geschatte fatḥa op de alif;
- Allāh is zijn ism;
- an maakt het werkwoord tot maṣdar en zet het in de subjunctief;
- yaʾtiya staat in de subjunctief en heeft een verborgen onderwerp (huwa);
- an yaʾtiya bi-l-fatḥ staat op de plaats van de accusatief, als khabar.
«Yakādu l-barqu yakhṭafu abṣārahum» (al-Baqara 2:20):
- yakādu is een onvolledige muḍāriʿ in de nominatief;
- al-barqu is zijn ism;
- yakhṭafu abṣārahum is de khabar.
Wat deze groep onderscheidt. De khabar van kāda en zusters is altijd een werkwoordszin, met een muḍāriʿ die naar hun ism verwijst.
Kernpunten
- Kāda en zusters werken als kāna: ism in de nominatief, khabar op de plaats van de accusatief.
- Nabijheid: kāda, awshaka, karaba.
- Hoop: ʿasā, ḥarā, ikhlawlaqa.
- Beginnen: jaʿala, akhadha, anshaʾa, sharaʿa, ṭafiqa, ʿaliqa.
- Hun khabar is altijd een werkwoordszin met een muḍāriʿ.
Bron: اللغة العربية (٢), les 14, vanaf p. 57.
Begrippen
- أفعال المقاربة afʿāl al-muqāraba · werkwoorden van nabijheid
- kāda, awshaka, karaba: de khabar gebeurt bijna (les 14, p. 57)
- أفعال الرجاء afʿāl ar-rajāʾ · werkwoorden van hoop
- ʿasā, ḥarā, ikhlawlaqa (les 14, p. 57)
- أفعال الشروع afʿāl ash-shurūʿ · werkwoorden van beginnen
- jaʿala, akhadha, ṭafiqa … (les 14, p. 57)
- أن المصدرية an al-maṣdariyya · an van de maṣdar
- maakt met het werkwoord een maṣdar en zet het in de subjunctief (les 14, p. 58)
- الفعل المضارع al-fiʿl al-muḍāriʿ · onvoltooid werkwoord
- de vorm van het werkwoord in de khabar van kāda (les 14, p. 59)