De eigennaam (ʿalam)#
Wat is een eigennaam? In de taal betekent ʿalam 'iets dat duidelijk zichtbaar is'. Als vakterm is het een naam die het benoemde zelf aanduidt en het onderscheidt van de rest van zijn soort. Voorbeelden uit de Koran zijn ʿĪsā (Āl ʿImrān 3:52), Makka (al-Fatḥ 48:24) en al-Kaʿba (al-Māʾida 5:97).
Enkelvoudig of samengesteld. Een ʿalam mufrad bestaat uit één woord: Zaynab, Lamyāʾ, Muḥammad. In een kader 'alleen ter kennisname' bespreekt het boek de samengestelde eigennaam, die uit twee of meer woorden bestaat. Daarvan zijn er drie soorten:
- iḍāfī (genitiefverbinding): ʿAbd Allāh, Umm Saʿīd;
- mazjī (twee woorden die tot één naam versmolten zijn): Ḥaḍramawt, Baʿlabakk, Maʿdīkarib, Sībawayh, Khumārawayh;
- isnādī (een hele zin als naam): een werkwoordszin zoals Taʾabbaṭa sharran, Jāda l-ḥaqq en Surra man raʾā, of een naamwoordelijke zin zoals al-khayru nāzil.
Naam, kunya en bijnaam. Naar de manier waarop de naam gegeven is, zijn er drie soorten:
- de ism: de gewone naam van een persoon;
- de kunya: begint met Abū, Umm, Ibn, Bint, Akh, Ukht, ʿAmm, ʿAmma, Khāl of Khāla;
- de laqab (bijnaam): wijst meestal op lof of blaam.
In Abū Isḥāq Ibrāhīm ash-Shāṭibī is Abū Isḥāq de kunya, Ibrāhīm de naam en ash-Shāṭibī de laqab. Andere voorbeelden in het boek zijn Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq, al-Fārūq ʿUmar, Hārūn ar-Rashīd en de moeder der gelovigen ʿĀʾisha.
Volgorde. De kunya mag vóór of na de naam staan: aqsama bi-llāhi Abū Ḥafṣin ʿUmar of ʿUmaru Abū Ḥafṣ. De laqab staat bij voorkeur ná de naam: ʿUmaru l-Fārūq. Is de laqab bekender dan de naam, dan mag hij voorop, zoals in an-Nisāʾ 4:171: «de Messias, ʿĪsā zoon van Maryam».
Naamvallen. Een enkelvoudige eigennaam verbuigt naar zijn plaats in de zin: jāʾa Muḥammadun, raʾaytu Muḥammadan, marartu bi-Muḥammadin. Voor de samengestelde namen geeft het boek ter kennisname deze regels:
- iḍāfī: het eerste deel verbuigt naar de zin, het tweede staat in de genitief (jāʾa ʿAbdu llāhi).
- mazjī: verbuigt als een woord dat geen tanwīn krijgt. In de genitief krijgt het dus een fatḥa: Baʿlabakku baldatun ṭayyiba, raʾaytu Baʿlabakka, sāfartu ilā Baʿlabakka.
- eindigend op -wayh: is vast op een kasra: hādhā Sībawayhi, raḥima llāhu Sībawayhi.
- isnādī: blijft precies zoals hij is (ḥikāya). In jāʾa Taʾabbaṭa sharran is de naam onderwerp met een geschatte ḍamma; de ḥikāya verhindert dat die zichtbaar wordt.
Kernpunten
- Een ʿalam duidt het benoemde zelf aan en onderscheidt het van zijn soort.
- Samengestelde namen zijn iḍāfī, mazjī of isnādī.
- Naam, kunya en laqab: de kunya mag voor of na de naam, de laqab bij voorkeur erna.
- Mazjī-namen krijgen geen tanwīn, namen op -wayh zijn vast op kasra, isnādī-namen blijven ongewijzigd.
Bron: اللغة العربية (٢), les 2, vanaf p. 14.
Begrippen
- العلم al-ʿalam · eigennaam
- naam die het benoemde zelf aanduidt (les 2, p. 14)
- الكنية al-kunya · kunya
- naam die begint met Abū, Umm, Ibn en dergelijke (les 2, p. 15)
- اللقب al-laqab · bijnaam
- naam die meestal lof of blaam aanduidt (les 2, p. 15)
- المركب المزجي al-murakkab al-mazjī · versmolten samenstelling
- twee woorden die één naam vormen, zoals Baʿlabakk (les 2, p. 14)
- المركب الإسنادي al-murakkab al-isnādī · zinsnaam
- een hele zin als naam, zoals Taʾabbaṭa sharran (les 2, p. 15)
- الحكاية al-ḥikāya · letterlijke weergave
- de naam blijft ongewijzigd, de naamval is geschat (les 2, p. 17)