Arabische taal (grammatica) (2)

PDF downloaden

Bron: Zad-reeks (سلسلة زاد العلمية), samengesteld door Zad Group. Dit is een studiesamenvatting, niet de tekst van het boek.

Studeer heel eenheid 1 Schema’s, begrippen, hadith, personen en een toets voor alle lessen samen →

Persoonlijke voornaamwoorden: spreker en aangesprokene

Wat is een ḍamīr? In de taal betekent ḍamīr 'het verborgene': aḍmartu sh-shayʾ is 'ik verborg het'. Als vakterm is het een onverbuigbaar (jāmid) zelfstandig naamwoord dat wijst op de spreker, de aangesprokene of de afwezige. Het staat kortheidshalve in de plaats van het zichtbare zelfstandig naamwoord. Voorbeelden:

  • anā aḥtarimu l-muʿallim (ik respecteer de leraar);
  • anta tuḥibbu wālidayk (jij houdt van je ouders);
  • huwa yusāʿidu ḍ-ḍuʿafāʾ (hij helpt de zwakken);
  • iyyāka uwaqqir (jou eer ik).

Het boek geeft ook verzen, onder meer al-Ikhlāṣ 112:1, Yūnus 10:41, al-Fātiḥa 1:5 en Fuṣṣilat 41:30.

Drie groepen. Er zijn voornaamwoorden voor de spreker, voor de aangesprokene en voor de afwezige. Deze les behandelt de eerste twee.

Spreker.

  • anā: «ik heb meer bezit dan jij» (al-Kahf 18:34);
  • naḥnu: «wij vertellen jou het mooiste verhaal» (Yūsuf 12:3);
  • -nā: «Wij hebben jullie een boek neergezonden» (al-Anbiyāʾ 21:10);
  • de tāʾ met ḍamma: «heden heb Ik jullie godsdienst vervolmaakt» (al-Māʾida 5:3);
  • de yāʾ: «komt Mijn verbond na» (al-Baqara 2:40);
  • iyyāya: «en Mij alleen moeten jullie vrezen» (al-Baqara 2:40);
  • iyyānā: «niet ons aanbaden zij» (al-Qaṣaṣ 28:63).

Aangesprokene.

  • anta: «jij bent slechts een vermaner» (al-Ghāshiya 88:21);
  • anti: anti mraʾatun ṣāliḥa;
  • antumā: al-Qaṣaṣ 28:35;
  • antum: al-Wāqiʿa 56:84;
  • antunna: antunna qānitāt;
  • iyyāka: al-Fātiḥa 1:5;
  • iyyākumā, iyyākum en iyyākunna (iyyākunna wa-l-ihmāl: pas op voor nalatigheid).

Daarnaast komen ook deze vormen voor:

  • de kāf;
  • de tāʾ met fatḥa: «zie je deze die U boven mij geëerd hebt?» (al-Isrāʾ 17:62);
  • de alif van de dualis: «spreek tot hem op zachte toon» (Ṭāhā 20:44);
  • de wāw van het meervoud: «keer berouwvol terug naar jullie Heer» (az-Zumar 39:54);
  • de yāʾ voor een vrouw: «keer terug naar je Heer, tevreden» (al-Fajr 89:28);
  • de nūn voor vrouwen: «blijf in jullie huizen» (al-Aḥzāb 33:33).

Kernpunten

  • Een ḍamīr vervangt kortheidshalve een zichtbaar zelfstandig naamwoord.
  • Er zijn voornaamwoorden voor de spreker, de aangesprokene en de afwezige.
  • De spreker heeft onder meer anā, naḥnu, -nā, de tāʾ met ḍamma, de yāʾ, iyyāya en iyyānā.
  • De aangesprokene heeft losse vormen (anta, iyyāka …) en aangehechte vormen (de kāf, de tāʾ met fatḥa, alif, wāw, yāʾ, nūn).

Bron: اللغة العربية (٢), les 3, vanaf p. 20.

Begrippen

الضمير aḍ-ḍamīr · persoonlijk voornaamwoord
onverbuigbaar woord voor spreker, aangesprokene of afwezige (les 3, p. 20)
المتكلم al-mutakallim · spreker
eerste persoon: anā, naḥnu, -nā … (les 3, p. 21)
المخاطب al-mukhāṭab · aangesprokene
tweede persoon: anta, anti, antum … (les 3, p. 21)
تاء المتكلم tāʾ al-mutakallim · tāʾ van de spreker
aangehechte tāʾ met ḍamma: akmaltu (les 3, p. 21)
ياء المخاطبة yāʾ al-mukhāṭaba · yāʾ voor een vrouw
aangehechte yāʾ: irjiʿī (les 3, p. 22)